Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB2940

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2007
Datum publicatie
05-09-2007
Zaaknummer
200701554/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 maart 2005 heeft de stichting "Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen" (hierna: de NAK) aan appellant drie onvoorwaardelijke geldboetes opgelegd van elk € 4.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200701554/1.

Datum uitspraak: 5 september 2007.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 06/46 van de rechtbank Assen van 17 januari 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de stichting "Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen", gevestigd te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2005 heeft de stichting "Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen" (hierna: de NAK) aan appellant drie onvoorwaardelijke geldboetes opgelegd van elk € 4.000,-.

Bij besluit van 1 december 2005 heeft de Raad van Beroep (hierna: de Raad) het door appellant daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard wat betreft de hoogte van de geldboetes, dat besluit in zoverre vernietigd en drie onvoorwaardelijke geldboetes van elk € 1.500,- opgelegd.

Bij uitspraak van 17 januari 2007, verzonden op 19 januari 2007, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 28 februari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 18 april 2007 heeft de NAK van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2007, waar appellant, in persoon, en de NAK, vertegenwoordigd door mr. A.S.H. Kroon, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In Richtlijn 66/403/EEG van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van pootaardappelen is bepaald dat pootaardappelen die binnen de Gemeenschap in de handel worden gebracht officieel dienen te zijn goedgekeurd.

2.1.1.    Ingevolge artikel 87, eerste lid, van de Zaaizaad- en Plantgoedwet (hierna: de ZPW) kan bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van een cultuurgewas worden bepaald, dat het bedrijfsmatig voortbrengen, bewaren en bewerken, anders dan voor gebruik in eigen bedrijf, en het bedrijfsmatig in het verkeer brengen, verder verhandelen, invoeren, uitvoeren en ten uitvoer aanbieden van teeltmateriaal dan wel het bedrijfsmatig doen verrichten van deze handelingen uitsluitend is toegestaan aan hem, die is aangesloten bij een in de algemene maatregel van bestuur voor dat cultuurgewas aangewezen keuringsinstelling.

   Ingevolge artikel 88, aanhef en onder 2, sub d, is om voor aanwijzing als keuringsinstelling ingevolge het vorig artikel in aanmerking te komen vereist, dat de statuten van de keuringsinstelling bepalen, dat bij niet nakoming door een aangeslotene van enige bij de statuten of de onder a bedoelde algemeen geldende voorschriften opgelegde verplichting een of meer der navolgende maatregelen kunnen worden opgelegd: berisping, geldboete van de derde categorie als bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van strafrecht, het stellen van de aangeslotene onder verscherpte controle te zijnen laste voor ten hoogste twee jaren en openbaarmaking van de tuchtbeschikking; indien een aangeslotene in de periode van vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het niet nakomen van enige verplichting als bovenbedoeld, hetzij onder verscherpte controle werd gesteld te zijnen laste, hetzij aan hem tweemaal een geldboete werd opgelegd, kan deze voor ten hoogste drie jaren worden geschorst.

   Ingevolge artikel 88, aanhef en onder 2, sub e, is om voor aanwijzing als keuringsinstelling ingevolge het vorig artikel in aanmerking te komen vereist, dat de statuten van de keuringsinstelling bepalen dat de aangeslotenen met betrekking tot andere dan de onder g bedoelde besluiten van een der organen van de keuringsinstelling binnen een maand na de dagtekening van de mededeling van zodanige besluiten beroep openstaat bij een Raad van Beroep, waarvan de samenstelling en de werkwijze worden geregeld in een reglement van beroep; onder besluiten worden niet begrepen algemeen geldende voorschriften.

De Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 (hierna: de ZPW 2005) is per 1 februari 2006 in werking getreden; hierbij is de ZPW ingetrokken en de Raad opgeheven.

Ingevolge artikel 6.1 van het Keuringsreglement 2003 (hierna: het reglement), voor zover thans van belang, is het verboden teeltmateriaal van landbouwgewassen af te leveren of, zonder of tegen vergoeding, over te dragen aan derden met het oog op commercieel gebruik, dat niet uiteindelijk is goedgekeurd en ten bewijze daarvan voorzien is van de daartoe in overeenstemming met het in dit reglement bepaalde afgegeven bewijsstukken, merken en tekenen en aangebrachte sluitingen.

2.2.    De NAK heeft aan de beslissing van 23 maart 2005 ten grondslag gelegd dat appellant driemaal artikel 6.1 van het reglement heeft overtreden door het afleveren en/of overdragen aan [teler 1] en [teler 2] met het oog op commercieel gebruik, dan wel het daartoe in voorraad hebben, van een partij aardappelen die niet uiteindelijk door de NAK zijn goedgekeurd en ten bewijze daarvan zijn voorzien van certificaten. Ter onderbouwing hiervan heeft de NAK verwezen naar het rapport van de Plantenziektenkundige dienst (hierna: de dienst) van 27 februari 2004.

   De Raad heeft in het besluit van 1 december 2005 het standpunt van de NAK onderschreven, behoudens ten aanzien van de vaststelling van de hoogte van de aan appellant opgelegde boetes.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de aardappelen niet tot zijn bedrijfsvoering behoren, omdat de percelen waarop het pootgoed is verbouwd en de schuur waarin dit wordt opgeslagen eigendom zijn van zijn [broer].

2.3.1.    Dit betoog faalt. Bij fax van 23 oktober 2003 heeft appellant verzocht om spoedige bemonstering van de pootaardappelen van 17 telers die bij hem in de koeling staan. In het briefhoofd van deze fax zijn de naam en adresgegevens van appellant vermeld. Voorts is de fax door appellant zelf ondertekend. Gelet hierop, alsmede op het rapport van 27 februari 2004 van de dienst, heeft de rechtbank terecht niet aannemelijk geacht dat de desbetreffende pootaardappelen niet tot zijn bedrijfsvoering behoren. Een bedrijf kan ook gevoerd worden in gebouwen c.q. op percelen die geen eigendom zijn van dat bedrijf en/of de bedrijfsvoerder. Dat de percelen waarop het pootgoed is verbouwd, alsmede de schuur waarin dit wordt opgeslagen eigendom van appellants broer zouden zijn, kan dan ook aan het vorenoverwogene niet afdoen.

2.4.    Appellant stelt dat hij geen aardappelen van het ras Karakter aan [teler 1] heeft overgedragen, omdat deze aardappelen uit de bedrijfsvoering van [teler 1] zelf afkomstig waren. Voorts ontkent appellant dat hij aardappelen van het ras Mercator van [teler 2] heeft opgeslagen en deze aan hem heeft overgedragen. Tenslotte betoogt appellant dat ten onrechte geen nader (grond)onderzoek heeft plaatsgevonden bij de telers [teler 2] en [teler 1].

2.4.1.    Voor zover appellant met de door hem overgelegde opdracht tot bemonstering bruinrot van [teler 1] van 1 november 2002 beoogt aannemelijk te maken dat [teler 1] aardappelen van het ras Karakter in zijn bedrijfsvoering had opgenomen, faalt dit reeds omdat dit document dateert van ruim een jaar voor het moment waarop het onderzoek door de dienst - in het kader waarvan [teler 1] heeft verklaard aardappelen van het ras Karakter bij appellant te hebben opgeslagen - heeft plaatsgevonden.

   Ook de stelling van appellant dat [teler 2] slechts aardappelen van het ras Seresta ter opslag heeft aangeboden, kan niet leiden tot gegrondverklaring van het hoger beroep. Gelet op de brief van AVEBE van 21 juli 2004, met daarin de vermelding van de aanmelding bij de voorjaarsinventarisatie door [teler 2] van aardappelen van het ras Mercator en de verklaring van [getuige] dat zes ton aardappelen van het ras Mercator van [teler 2] bij appellant in de opslag lagen, heeft de rechtbank terecht aannemelijk geacht dat aardappelen van het ras Mercator van [teler 2] bij appellant opgeslagen zijn geweest.

   Het betoog van appellant dat ten onrechte geen nader onderzoek heeft plaatsgevonden bij de telers [teler 2] en [teler 1], kan evenmin tot gegrondverklaring van het hoger beroep leiden, nu niet valt in te zien dat het onderzoek van de dienst dat is neergelegd in het rapport van 27 februari 2004, waar de Raad in het besluit van 1 december 2005 naar heeft verwezen, onzorgvuldig tot stand is gekomen dan wel anderszins gebreken vertoonde. Dat de NAK dit onderzoek niet zelf heeft uitgevoerd, maakt dit niet anders.

2.5.    Het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat het opslaan van aardappelen van derden zonder dat deze gekeurd zijn verboden is, berust op een onjuiste lezing van de uitspraak. De rechtbank heeft met juistheid en op goede gronden overwogen dat appellant, met het oog op commercieel gebruik, aan de betreffende telers aardappelen heeft geleverd welke niet voldeden aan de keuringsvereisten en niet van deze telers zelf waren.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Klein

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2007.

176-538.