Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB2935

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2007
Datum publicatie
05-09-2007
Zaaknummer
200702111/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 februari 2007 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij gelegen op het perceel [locatie] te Meijel. Dit besluit is op 8 maart 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden
Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden 1
Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/599

Uitspraak

200702111/1.

Datum uitspraak: 5 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging Milieu-Offensief", gevestigd te Wageningen,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Meijel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2007 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij gelegen op het perceel [locatie] te Meijel. Dit besluit is op 8 maart 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 25 maart 2007, bij de Raad van State op dezelfde dag per fax ingekomen, beroep ingesteld.

Bij brief van 31 mei 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 augustus 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en verweerder, vertegenwoordigd door S.H.G.M. Saldan en ing. R.T.W.A. Leenen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door ir. J.W.G.M. Loonen en [gemachtigde], daar als partij gehoord.

Buiten bezwaren van partijen zijn nog stukken in het geding gebracht.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter zitting heeft appellante de beroepsgrond met betrekking tot de Habitatrichtlijn ingetrokken.

2.2.    Appellante betoogt dat verweerder bij de stankbeoordeling de woning aan de [locatie 1] ten onrechte heeft aangemerkt als een categorie V- in plaats van een categorie IV-object als bedoeld in de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie). Volgens haar kan niet op basis van een gemeentelijke nota stankbeleid worden afgeweken van de categorie-indeling van de Wet stankemissie. In geval van een categorie IV-object kan niet aan de vereiste minimale afstand worden voldaan, aldus appellante.

2.2.1.    Verweerder heeft bij de beoordeling van stank de Wet stankemissie en de Regeling stankemissie in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Regeling stankemissie) tot uitgangspunt genomen. Wat betreft de categorie-indeling heeft hij zich gebaseerd op de door de gemeenteraad van Meijel op 26 juni 2006 vastgestelde en op 23 augustus 2006 gepubliceerde nota 'Nota stankbeleid veehouderijen'. Hierin is onder meer opgenomen dat de categorie-indeling van de Wet stankemissie niet uitputtend is en dat het onterecht zou zijn een woning bij een pelsdierenhouderij meer bescherming toe te kennen dan een woning bij bijvoorbeeld een varkenshouderij. In voornoemde nota wordt daarom gesteld dat, met gebruikmaking van de beschikbare beleidsruimte, woningen behorende bij pelsdierenhouderijen als categorie V-object worden aangemerkt.

2.2.2.    Vast staat dat de Wet stankemissie en de Regeling stankemissie van toepassing zijn op de onderhavige inrichting.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet stankemissie bedraagt, onverminderd artikel 3, eerste lid, de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie, waarvoor in de ministeriële regeling bedoeld in artikel 1 geen omrekeningsfactor is opgenomen, en een voor stank gevoelig object, ten minste de afstand die voor de betrokken diercategorie bij ministeriële regeling is aangegeven.

   Ingevolge bijlage 2 bij de Regeling stankemissie gelden voor pelsdieren (vossen en nertsen) in het kader van stankhinder vaste afstanden.

   Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, sub 1º, van de Wet stankemissie wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder voor stank gevoelig object categorie IV: woning, behorend bij een agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij waar 50 of meer mestvarkeneenheden op grond van een vergunning aanwezig mogen zijn.

   Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet stankemissie wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder voor stank gevoelig object categorie V: woning, behorend bij een veehouderij waar 50 of meer mestvarkeneenheden op grond van een vergunning aanwezig mogen zijn.

2.2.3.    De Wet stankemissie voorziet niet in een regeling om af te wijken van de daarin opgenomen categorie-indeling.

   Niet in geschil is dat de woning aan de [locatie 1] op grond van de in de Wet stankemissie opgenomen categorie-indeling als een categorie IV-object moet worden aangemerkt. Evenmin is in geschil dat alsdan aan de ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet stankemissie in samenhang met bijlage 2 bij de Regeling stankemissie minimaal aan te houden afstand niet wordt voldaan. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met artikel 4, eerste lid, van de Wet stankemissie.

2.3.    Het beroep is gegrond. Nu het stankaspect bepalend is voor de beantwoording van de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven dan ook geen bespreking.

2.4.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Meijel van 27 februari 2007, kenmerk 18-05 WM;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Meijel tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Meijel aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Meijel aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I. Beurmanjer-de Lange, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Beurmanjer-de Lange

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2007

241-492.