Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB2895

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-09-2007
Datum publicatie
05-09-2007
Zaaknummer
200605099/1 en 200605858/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 oktober 2005 heeft de gemeenteraad van Oegstgeest, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 september 2005, het bestemmingsplan "Frederiksoord Zuid" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/620
JOM 2007/776

Uitspraak

200605099/1 en 200605858/1.

Datum uitspraak: 5 september 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in de gedingen tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], gevestigd te [plaats],

3.    de onderlinge waarborgmaatschappij "Coöperatieve Bloemenveiling Floraholland U.A.", gevestigd te Rijnsburg, gemeente Katwijk,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2005 heeft de gemeenteraad van Oegstgeest, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 september 2005, het bestemmingsplan "Frederiksoord Zuid" vastgesteld.

Bij besluit van 27 oktober 2005 heeft de gemeenteraad van Rijnsburg (thans Katwijk), op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 september 2005, het bestemmingsplan "Frederiksoord Zuid" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 30 mei 2006, kenmerk DRM/ARW/05/11907A, beslist over de goedkeuring van het eerstgenoemde bestemmingsplan.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 30 mei 2006, kenmerk DRM/ARW/05/11905A, beslist over de goedkeuring van het tweede bestemmingsplan.

Tegen het eerstgenoemde besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 11 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2006, appellante sub 2 bij brief van 11 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2006, en appellante sub 3 bij brief van 2 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. Tegen het tweede besluit heeft appellante sub 3 bij brief van 9 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 18 oktober 2006 en bij ongedateerde brief, beide bij de Raad van State ingekomen op 19 oktober 2006, heeft verweerder verweerschriften in beide zaken ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 19 januari 2007 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 mei 2007, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde], appellante sub 3, vertegenwoordigd door mr. E.C. van Lent, advocaat te Leiden, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. J.J. Zuiderwijk, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Appellante sub 2 is niet verschenen. Voorts zijn de gemeenteraad van Oegstgeest en de gemeenteraad van Katwijk, beide vertegenwoordigd door mr. J. Hoekstra, advocaat te Amsterdam, daar als partij gehoord.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Planbeschrijving

2.3.    Het door de gemeenteraad van Katwijk vastgestelde plan voorziet in de bestemming "Uit te werken woondoeleinden (UW)", ingevolge waarvan maximaal 280 grondgebonden woningen en 33 appartementen mogen worden gebouwd.

   Het door de gemeenteraad van Oegstgeest vastgestelde plan voorziet in een plandeel met de bestemming "Uit te werken woondoeleinden (UW)", ingevolge waarvan maximaal 80 woningen mogen worden gebouwd. Verder voorziet het plan in een plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)", dat de ontsluiting van de voorziene woonwijk tot doel heeft.

   Het plangebied van het bestemmingsplan "Frederiksoord Zuid" van de gemeente Katwijk grenst aan de noordzijde aan de bestaande woonwijk Frederiksoord in de kern Rijnsburg, in het westen aan de Valkenburgerweg, in het oosten aan de Rijnsburgerweg en in het zuiden aan het plangebied van het gelijknamige bestemmingsplan van de gemeente Oegstgeest. Laatstgenoemd plangebied sluit hier op aan en grenst aan de zuidzijde aan agrarische gronden.

De beroepen van de Coöperatieve Bloemenveiling FloraHolland U.A.

Het standpunt van appellante

2.4.    De Coöperatieve Bloemenveiling FloraHolland U.A. (hierna: FloraHolland) stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de beide bestemmingsplannen.

   Appellante stelt hiertoe dat de bloemenveiling en de op het veilingterrein gevestigde andere, aan de veiling gelieerde, bedrijven voor een goede bedrijfsvoering afhankelijk zijn van een vlotte afwikkeling van het verkeer ter plaatse. Op het veilingterrein worden dagverse bloemen verhandeld, welke zo snel mogelijk geleverd moeten kunnen worden door en aan derden. Appellante wijst erop dat reeds in de huidige situatie sprake is van een overbelast verkeerswegennet met filevorming in de spitsuren als gevolg. De nieuwe woningen zullen een verkeersaantrekkende werking hebben, waarvan zij in de vorm van verminderde bereikbaarheid en langere levertijden nadeel zal ondervinden. De effecten van de ontsluiting van Frederiksoord Zuid op de doorstroming op de Rijnsburgerweg en de Rijnzichtweg, van welke wegen ook zij voor haar bereikbaarheid afhankelijk is, zijn onvoldoende onderzocht, aldus appellante. Zij stelt dat een nieuwe aansluiting op de Rijnsburgerweg tot meer congestie zal leiden. Volgens appellante zijn ten onrechte de verkeerskundige gevolgen van andere in voorbereiding zijnde plannen niet meegewogen. Voorts is ten onrechte niet onderzocht hoe de verkeerssituatie zal zijn tot aan het jaar 2015, aldus appellante. De voorgestelde maatregelen ter verbetering van de doorstroming zijn volgens appellante onvoldoende of nog onzeker.

Het standpunt van verweerder

2.5.    Verweerder heeft de bestemmingsplannen, behoudens een strook van 20 meter vanaf de Rijnsburgerweg, niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft de bestemmingsplannen goedgekeurd.

   Verweerder erkent dat er sprake is van toenemende verkeersbelasting maar stelt dat de verkeersbewegingen die veroorzaakt worden door de voorziene woningen een beperkte invloed zullen hebben op de totale omvang van de verkeersstroom. Verder stelt verweerder dat de gemeentebesturen concrete maatregelen hebben voorgesteld om de verkeersdruk te verminderen. Hoewel verweerder ook erkent dat deze maatregelen niet voldoende zijn om aan de totale verkeersproblematiek tegemoet te komen, is hierin geen beletsel gezien om de plannen goed te keuren. Daarbij heeft verweerder van belang geacht dat binnen afzienbare tijd op een hoger schaalniveau maatregelen zullen moeten worden getroffen om een oplossing te bieden voor de toenemende verkeersdruk op de Rijnsburgerweg en de Rijnzichtweg. Verweerder gaat er daarbij van uit dat de onderhavige verkeersproblematiek alleen in een groter verband kan worden opgelost.

Vaststelling van de feiten

2.6.    FloraHolland is gevestigd te Rijnsburg aan de Laan van Verhof 3. Ten noorden van het terrein waarop de veiling is gelegen ligt de Oegstgeesterweg, ten oosten ligt de A44, ten zuiden ligt de Rijnzichtweg en ten westen ligt de Rijnsburgerweg. De ontsluiting van het terrein vindt plaats op de Rijnsburgerweg.

2.6.1.    De Laan van Verhof komt door middel van een rotonde uit op de Rijnsburgerweg. Vanaf deze rotonde bestaat de Rijnsburgerweg uit één rijbaan met vier rijstroken. Ongeveer 50 meter ten zuiden van het plandeel met de bestemming "Uit te werken woondoeleinden (UW)" is de nieuwe ontsluitingsweg van het plangebied op de Rijnsburgerweg voorzien. Meer zuidelijk ligt de kruising waar een deel van het verkeer zal worden afgewikkeld van en naar de woningen die in het bestemmingsplan "Rijnfront" zijn voorzien. Vanaf deze kruising gaat de Rijnsburgerweg over in de Rijnzichtweg, die de vorm heeft van een tweebaansweg met twee rijstroken. De Rijnzichtweg kruist de rijksweg A44 ongelijkvloers. In Oegstgeest kruist de Rijnzichtweg de Geversstraat door middel van de Willibrordrotonde.

2.6.2.    In de plantoelichtingen is vermeld dat de uitgangspunten ten aanzien van de verkeersgegevens zijn gebaseerd op telcijfers voor de huidige situatie en op het dynamisch verkeersmodel voor Rijnsburg en Oegstgeest. Er wordt uitgegaan van maximaal 400 te realiseren woningen. Het aantal extra motorvoertuigbewegingen als gevolg van deze nieuwe wijk komt neer op 2200 per etmaal. Dit aantal wordt evenredig verdeeld over de beide richtingen van de Rijnsburgerweg.

    Verder is in de plantoelichtingen vermeld dat het noordelijk deel van Rijnfront en het plangebied Frederiksoord Zuid zullen worden ontsloten via de Rijnsburgerweg en de Rijnzichtweg.

   In de plantoelichtingen wordt geconcludeerd dat de belasting van de Rijnsburgerweg/Rijnzichtweg tegen haar grenzen aanloopt en dat de belangrijkste beperkende factor voor de doorstroming van de Rijnzichtweg ligt bij de Willibrordrotonde. De wachtrijen voor deze rotonde gaan zelfs terug tot bij de aansluitingen naar de A44 waardoor niet alleen de doorstroming, maar eveneens de verkeersveiligheid beperkt wordt. Wanneer de doorstroming op de rotonde verbeterd wordt ontstaat er volgens de plantoelichting op de Rijnzichtweg/Rijnsburgerweg een acceptabele verkeerssituatie.

   Voorts is in de plantoelichtingen vermeld dat met de voorgestelde aanpassingen aan de Rijnzichtweg en de Willibrordrotonde de doorstroming op de Rijnzichtweg en de Rijnsburgerweg weliswaar weer acceptabel wordt maar dat na deze aanpassingen deze beide wegen wel definitief hun grenzen als regionale verbindingsroute hebben bereikt.

   Gelet op de autonome groei van het verkeer wordt, wanneer de regionale infrastructuur niet wordt verbeterd, in 2015 de verkeersintensiteit op de Rijnsburgerweg en Rijnzichtweg te groot. Om deze reden zetten de gemeentebesturen in op het ontlasten van de Rijnsburgerweg en de Rijnzichtweg door het realiseren van nieuwe regionale verbindingen en door het upgraden van bestaande regionale routes. Voorbeelden van projecten die de Rijnzichtweg en Rijnsburgerweg kunnen ontlasten zijn onder meer de realisatie van de Rijnland Route (verbinding A4-A44) en de realisatie van een directe afslag van FloraHolland op de A44 nabij de Vinkenweg.

2.6.3.    In het rapport "Effecten Rijnfront op Rijnzichtweg en aansluitingen, Eindrapport", van Goudappel Coffeng uit 2003, wordt geconcludeerd dat de autonome groei van het verkeer tot problemen zal leiden op de Rijnzichtweg. De bijdrage van de woningbouw in Rijnfront is volgens het rapport beperkt. In het rapport worden maatregelen voorgesteld om congestie tegen te gaan. Een voorgestelde maatregel heeft betrekking op de verdubbeling van het aantal rijstroken op de provinciale weg N206. Deze verdubbeling wordt echter pas na 2015 gerealiseerd. Een tweede voorgestelde maatregel betreft de aanleg van een weg tussen de rijksweg A44 en Katwijk. Deze weg zou volgens het rapport leiden tot een afname van het verkeer met 10 tot 20 procent.

2.6.4.    In het rapport "Ontsluitingsstudie woningbouw Frederiksoord Zuid en Rijnfront deelgebied I", van Goudappel Coffeng, d.d. 25 mei 2005, wordt uitgegaan van de realisatie van ongeveer 400 woningen aan de zuidelijke rand van Rijnsburg. In de studie wordt uitgegaan van de realisatie van zowel Frederiksoord Zuid als een deel van Rijnfront. Deze 400 woningen brengen een toename van de verkeersintensiteit van 2250 motorvoertuigen per etmaal met zich. In het rapport worden de mogelijke ontsluitingen van de deze nieuwbouwwijken onderzocht. De voorkeur gaat uit naar ontsluiting op de Rijnsburgerweg. Dit betekent wel een ontsluiting op een zeer kwetsbaar weggedeelte met een verwachte verkeersintensiteit in 2015 van 36.000 motorvoertuigen per etmaal, aldus het rapport.

2.6.5.    Het rapport "Dynamisch verkeersmodel Oegstgeest: Rijnzichtweg-Rijnsburgerweg", van Goudappel Coffeng, d.d. 5 april 2005, is opgesteld ten behoeve van de uitwerkingen binnen het bestemmingsplan "Rijnfront" en de ontwikkelingen in de voorliggende bestemmingsplannen. Hierbij zijn de problemen op de Rijnzichtweg ter hoogte van de op- en afritten van de rijksweg A44 betrokken. In de studie is gewerkt met een referentiemodel 2004, een gewijzigd model 2004 (met inbegrip van de zogenoemde bypass-uitbreiding voor de rotonde Rijnzichtweg-Rhijngeesterstraatweg-Geversstraat, ook wel Willibrordrotonde genoemd) en het toekomstmodel 2015 (onder andere de nieuwe ontsluiting van Frederiksoord Zuid - Rijnfront deelgebied I door een rotonde en de aanpassingen aan de rotonde Rijnsburgerweg - Laan van Verhof).

   Als gevolg van autonome ontwikkelingen en realisatie van nieuwbouwprojecten neemt het verkeersaanbod in 2015 fors toe, aldus het rapport. Er blijkt sprake te zijn van een zeer grote toename van het verkeersaanbod binnen het studiegebied; op enkele delen van het studiegebied is sprake van meer dan een verdubbeling, hetgeen leidt tot congestie en zeer lange wachtrijen. In het rapport wordt geconcludeerd dat een deel van de verkeersproblemen wordt veroorzaakt door de verkeersafwikkeling op de Willibrordrotonde. De in het gewijzigd model 2004 opgenomen aanpassing van deze rotonde voldoet in 2015 niet meer. De rotonde zal moeten worden vervangen door een andere wijze van verkeersregeling. Verder zijn grote uitbreidingen van de aansluiting van de Rijnzichtweg op de rijksweg A44 noodzakelijk om tot een enigszins aanvaardbaar niveau van verkeersafwikkeling te komen. Hiervoor is echter onvoldoende ruimte. Gekeken moet worden naar alternatieve routes om de bestaande infrastructuur te ontlasten.

2.6.6.    Na het bestreden besluit is in opdracht van de gemeente Katwijk opgesteld het rapport "Bereikbaarheid kern Rijnsburg. Doorkijk duurzame hoofdstructuur", van Goudappel Coffeng, d.d. 13 oktober 2006. In deze studie wordt onderscheid gemaakt in lokale en regionale ruimtelijke ontwikkelingen. Geconcludeerd wordt dat ten gevolge van de autonome groei en de regionale ontwikkelingen de verkeersintensiteit met 40-80 procent toeneemt, hetgeen het noodzakelijk maakt om op regionaal niveau een oplossing te zoeken. De lokale ontwikkelingen hebben een beperkt effect op de verkeersdruk.

2.6.7.    In het deskundigenbericht is geconcludeerd dat uit alle onderzoeken naar voren komt dat de verkeersafwikkeling op de Rijnsburgerweg/Rijnzichtweg niet zonder problemen verloopt. Met name de verkeerssituatie op de Willibrordrotonde zorgt voor problemen met als gevolg dat de op- en afritten naar de rijksweg A44 geblokkeerd worden.

   Een duidelijke analyse waarbij het huidige aantal verkeersbewegingen, het aantal extra verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkelingen binnen de voorliggende plannen en de capaciteit van het wegennet worden vergeleken ontbreekt, aldus het deskundigenbericht. Ook het op 13 oktober 2006 uitgebrachte nadere rapport geeft hierover volgens het deskundigenbericht onvoldoende duidelijkheid.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    Het beroep van appellante komt er in de kern op neer dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de vraag of de bestemmingsplannen voorzien in een toereikende afwikkeling van verkeer ten gevolge van de voorziene woonwijk.

2.7.1.    De Afdeling leidt uit de stukken en het verhandelde ter zitting af dat de in het bestemmingsplan van de gemeente Oegstgeest opgenomen ontsluitingsweg niet alleen voorziet in de ontsluiting van de onderhavige plangebieden (393 woningen) maar tevens in de ontsluiting van 100 ten zuiden daarvan te realiseren woningen op grond van het plan "Rijnfront deelgebied I". Wat betreft de voorliggende bestemmingsplannen dient derhalve rekening te worden gehouden met de verkeersgevolgen van ongeveer 500 - in plaats van het aantal van 400 dat in de plantoelichtingen wordt genoemd - nieuwe woningen die op de Rijnsburgerweg/Rijnzichtweg worden ontsloten.

2.7.2.    De extra verkeersbelasting van andere ruimtelijke ontwikkelingen die in Rijnsburg en Oegstgeest zijn voorzien kunnen weliswaar niet aan de onderhavige bestemmingsplannen worden toegerekend maar dat neemt niet weg dat hiermee rekening dient te worden gehouden in de verkeersonderzoeken waar het gaat om de te verwachten verkeersintensiteiten op de betrokken wegen. Alleen dan kan een realistische analyse worden gemaakt van de gevolgen van de extra verkeersbewegingen die de onderhavige bestemmingsplannen op de betrokken wegen genereren.

2.7.3.    Niet in geschil is dat de verkeersafwikkeling in het betrokken gebied in de huidige situatie problematisch is. Uit de stukken komt naar voren dat sprake is van een overbelaste verkeerssituatie met congestie in de ochtend- en avondspits waarbij lange wachtrijen optreden. De problemen worden grotendeels veroorzaakt door de verkeerssituatie op de Willibrordrotonde en de aansluiting van de Rijnzichtweg op de rijksweg A44.

   In de plantoelichtingen wordt geconcludeerd dat de belasting van de Rijnsburgerweg/Rijnzichtweg tegen de grenzen aanloopt. Aannemelijk is dat de maximale capaciteit van deze wegen thans reeds nagenoeg is benut en in ieder geval binnen de planperiode zal worden bereikt. Uit de verschillende onderzoeken blijkt immers dat de verkeersintensiteit op deze wegen de komende jaren nog fors zal toenemen en dat op korte en langere termijn aanpassingen nodig zijn aan de bestaande infrastructuur, waarbij de inmiddels gerealiseerde aanpassing van de Willibrordrotonde slechts tijdelijk meer ruimte biedt.

2.7.4.    Uit de bestreden besluiten blijkt dat verweerder erkent dat sprake is van aanzienlijke verkeersdruk en capaciteitsproblemen op de betrokken wegen waarop de voorziene woningen worden ontsloten. Bij de goedkeuring van de plannen heeft verweerder echter bepalend geacht dat de verkeersbewegingen die veroorzaakt worden door de voorziene woningbouw gelet op de omvang daarvan in verhouding tot de totale omvang van de verkeersstroom slechts een beperkte invloed zullen hebben op de reeds bestaande problematiek. Aldus heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte niet onderkend dat een toename van het verkeer, hoe gering ook, in een overbelaste situatie als de onderhavige tot gevolg kan hebben dat de grens van wat uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nog aanvaardbaar kan worden geacht, wordt overschreden. Daarbij moet de vraag welke mate van doorstroming, congestiekans en wachttijden aanvaardbaar zijn, worden beantwoord. Bij de beantwoording van deze vraag moeten deze factoren worden genormeerd. Verweerder mocht er derhalve niet zonder deugdelijk onderzoek van uitgaan dat de negatieve invloed van de toename van het verkeer ten gevolge van de voorziene woningbouw op de betrokken wegen verwaarloosbaar is. Voorts getuigt de opmerking van verweerder in de bestreden besluiten, dat binnen afzienbare tijd op een hoger schaalniveau maatregelen zullen moeten worden getroffen om een oplossing te bieden voor de toenemende verkeersdruk op de Rijnsburgerweg en de Rijnzichtweg en dat hij er van uitgaat dat de onderhavige verkeersproblematiek in een groter verband binnen afzienbare termijn zal worden opgepakt, van een te beperkte opvatting van de taak van verweerder om te bezien of de onderhavige bestemmingsplannen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

2.7.5.    Met betrekking tot de aan de bestemmingsplannen ten grondslag liggende rapporten overweegt de Afdeling als volgt.

   Het rapport "Effecten Rijnfront op Rijnzichtweg en aansluitingen, Eindrapport" ziet op de gevolgen van het bestemmingsplan "Rijnfront" en niet op de onderhavige plannen.

   In het rapport "Ontsluitingsstudie woningbouw Frederiksoord Zuid en Rijnfront deelgebied I" wordt ten onrechte uitgegaan van een totaal aantal te realiseren woningen van 400. Hoewel ter zitting nog eens van de zijde van de gemeenteraden is gesteld dat in deze studie is aangesloten bij het verkeersmodel Rijnsburg-Katwijk-Valkenburg en de daarmee berekende verkeersintensiteiten, maakt dit rapport niet (cijfermatig) inzichtelijk wat de gevolgen zijn van de extra verkeersbewegingen ten gevolge van die woningen. In het rapport wordt enkel een toename van de verkeersintensiteit van 2.250 motorvoertuigen per etmaal vermeld. Verder worden de (on) mogelijkheden van diverse ontsluitingen en de praktische invulling daarvan besproken.

   In het rapport "Dynamisch verkeersmodel Oegstgeest: Rijnzichtweg-Rijnsburgerweg" wordt gekeken naar de verkeersafwikkeling op de genoemde wegen in relatie tot de woningbouwlocaties Frederiksoord Zuid en Rijnfront deelgebied I. Uit dit rapport blijkt dat de problemen die zich in de autonome situatie (referentiemodel 2004) voordoen grotendeels kunnen worden opgevangen door het nemen van maatregelen op korte termijn (gewijzigd model 2004). In dit verband wijst verweerder er op dat de gemeentebesturen concrete maatregelen hebben voorgesteld om de verkeersdruk te verminderen. Een belangrijke maatregel, te weten de aanpassing van de Willibrordrotonde is inmiddels gerealiseerd, hetgeen een verbetering van de verkeersafwikkeling betekent ten opzichte van de in het dynamisch verkeersmodel beschreven situatie in het referentiejaar 2004.

Uit het rapport blijkt evenwel dat ten gevolge van de autonome verkeersgroei en de realisatie van de voorziene woningbouwprojecten het verkeersaanbod in de periode 2003-2015 fors toeneemt, met congestie en lange wachtrijen als gevolg. De conclusie van het rapport is dat de thans gerealiseerde aanpassing van de Willibrordrotonde en andere maatregelen voor de korte termijn in 2015 niet meer voldoen en dat aanzienlijke aanpassingen van de aansluiting van de Rijnzichtweg op de Rijksweg A44 noodzakelijk zijn om tot een enigszins aanvaardbaar niveau van verkeersafwikkeling te komen.  Blijkens het rapport is het ruimtebeslag hiervoor onvoldoende en moet worden gekeken naar alternatieve routes om de bestaande infrastructuur te ontlasten. Dit klemt te meer daar, gelet op de planperiode, er van moet worden uitgegaan dat de woningbouwlocatie grotendeels is gerealiseerd vóór 2015. Het rapport biedt in dat verband onvoldoende inzicht in de mogelijke knelpunten als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van de onderhavige plannen.

   De in de verschillende onderzoeken en de plantoelichtingen genoemde mogelijkheden voor oplossingen op langere termijn, zoals bijvoorbeeld de verdubbeling van het aantal rijstroken op de N206 en de Rijnlandroute, zijn thans te onzeker om hiermee in het kader van de beoordeling van de voorliggende plannen rekening te houden.

   In het na het bestreden besluit verschenen rapport "Bereikbaarheid kern Rijnsburg. Doorkijk duurzame hoofdstructuur" worden diverse lokale en regionale ruimtelijke ontwikkelingen en het oplossend vermogen van verschillende maatregelen, zoals de Rijnlandroute, beschreven. Geconcludeerd wordt dat de lokale ontwikkelingen, waaronder de onderhavige plannen moeten worden begrepen, een beperkt effect hebben op de verkeersdruk. Hoewel dit rapport kan worden beschouwd als een aanvulling op eerdere onderzoeken en een nadere onderbouwing van reeds eerder ingenomen standpunten betreft het ook hier een enkele stelling, waarmee onvoldoende inzichtelijk is gemaakt dat de onderhavige bestemmingsplannen voorzien in een toereikende afwikkeling van verkeer ten gevolge van de voorziene woonwijk.

2.7.6.    Mede gelet op hetgeen hierover in het deskundigenbericht is aangegeven, stelt de Afdeling vast dat in de uitgebrachte rapporten een duidelijke analyse ontbreekt, waarbij het huidige aantal verkeersbewegingen, het toekomstige aantal verkeersbewegingen ten gevolge van de autonome groeit van het verkeer en het aantal extra verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkelingen binnen de voorliggende plannen worden vergeleken met de capaciteit van het wegennet. Ook met hetgeen hieromtrent ter zitting door de gemeenteraden nader is toegelicht is hierover geen duidelijkheid verkregen.

   Verder is onvoldoende in beeld gebracht wat de daadwerkelijke gevolgen van de uitvoering van de voorliggende plannen voor de verkeersdruk op de betrokken wegen zullen zijn, wat de uitvoering van deze plannen in concreto voor de doorstroming van het verkeer op deze wegen betekent en in het bijzonder in welke mate en omvang de congestiekans en de duur van de wachttijden zullen toenemen. Eerst indien hierover een duidelijk beeld is verkregen kan worden beoordeeld of de toename van het verkeer ten gevolge van de uitvoering van de plannen, afgezet tegenover de reeds overbelaste verkeerssituatie, planologisch aanvaardbaar is, rekening houdend met alle betrokken belangen, waaronder die van appellante.

2.7.7.    Uit het vorenstaande volgt dat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en dat de bestreden besluiten niet berusten op een deugdelijke motivering. De beroepen van FloraHolland zijn gegrond, zodat de beide bestreden besluiten, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plannen, wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dienen te worden vernietigd.

De beroepen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2]

2.8.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)" van het bestemmingsplan "Frederiksoord Zuid" van de gemeente Oegstgeest.

2.8.1.    Nu het beroep van FloraHolland in zoverre tot vernietiging van het bestreden besluit leidt, behoeven het beroep van [appellanten sub 1] en het beroep van [appellant sub 2] hier geen bespreking meer. Deze beroepen zijn reeds hierom gegrond.

Proceskosten

2.9.    Met betrekking tot de beroepen van [appellanten sub 1] en Floraholland dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

   Met betrekking tot het beroep van [appellant sub 2] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 30 mei 2006, kenmerk DRM/ARW/05/11907A voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het bestemmingsplan "Frederiksoord Zuid" van de gemeente Oegstgeest;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 30 mei 2006, kenmerk DRM/ARW/05/11905A voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het bestemmingsplan "Frederiksoord Zuid" van de gemeente Katwijk;

IV.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij appellanten sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door provincie Zuid Holland aan appellanten sub 1 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij appellante sub 3 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1127,00 (zegge: elfhonderdzevenentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Zuid-Holland aan appellante sub 3 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor appellanten sub 1, € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor appellante sub 2 en € 562,00 (zegge: vijfhonderdtweeënzestig euro) voor appellante sub 3 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Van Dorst

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2007

357-535.