Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB2788

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-08-2007
Datum publicatie
10-09-2007
Zaaknummer
200705568/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / eerdere inbewaringstelling opgeheven na belangenafweging / ten onrechte toets nieuwe feiten en omstandigheden

Bij uitspraak van 3 juli 2007 heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, de opheffing van de vorige bewaring bevolen, omdat naar haar oordeel het belang van de staatssecretaris bij het voortduren van de bewaring niet opweegt tegen het belang van de vreemdeling bij het herwinnen van zijn vrijheid. In deze uitspraak is voorts overwogen dat, voor zover thans van belang, er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat thans geen zicht op uitzetting bestaat.

Bij de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat thans niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die een nieuwe inbewaringstelling zouden kunnen rechtvaardigen. Daarbij heeft zij in aanmerking genomen dat de vreemdeling sinds 2000 regelmatig - langdurig - in bewaring en strafrechtelijke detentie heeft gezeten en dat ondanks verschillende onderzoeken en presentaties bij de Marokkaanse autoriteiten tot op heden geen reisdocument is afgegeven.

Aldus heeft de rechtbank miskend dat in voormelde uitspraak van 3 juli 2007 is vastgesteld dat er toen geen aanknopingspunten waren voor het oordeel dat geen zicht op uitzetting bestond en dat de toen bevolen opheffing van de bewaring derhalve geen verband hield met het ontbreken van zodanig zicht. Voor een beoordeling of sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden op grond waarvan zicht op uitzetting aanwezig kan worden geacht, bestond derhalve geen aanleiding.

De grief slaagt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/468

Uitspraak

200705568/1.

Datum uitspraak: 24 augustus 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 07/29343 van de rechtbank 's Gravenhage van 30 juli 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2007 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 30 juli 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de bewaring bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 6 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 augustus 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank, door te overwegen dat niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die een nieuwe inbewaringstelling zouden kunnen rechtvaardigden en de bewaring om deze reden van aanvang af voor onrechtmatig moet worden gehouden, heeft miskend dat de eerdere bewaring niet is opgeheven wegens het ontbreken van zicht op uitzetting, maar na een belangenafweging.

2.1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 23 februari 2007 in zaak no. 200700582/1, JV 2007/147), behoort de rechtbank, indien een eerdere bewaring is opgeheven, omdat geen zicht op uitzetting bestaat, bij een volgende inbewaringstelling te onderzoeken of, anders dan ten tijde van de opheffing van de eerdere bewaring, sprake is van feiten en omstandigheden, waaruit blijkt dat zulk zicht nu niet ontbreekt.

2.1.2. Bij uitspraak van 3 juli 2007 heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, de opheffing van de vorige bewaring bevolen, omdat naar haar oordeel het belang van de staatssecretaris bij het voortduren van de bewaring niet opweegt tegen het belang van de vreemdeling bij het herwinnen van zijn vrijheid. In deze uitspraak is voorts overwogen dat, voor zover thans van belang, er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat thans geen zicht op uitzetting bestaat.

Bij de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat thans niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die een nieuwe inbewaringstelling zouden kunnen rechtvaardigen. Daarbij heeft zij in aanmerking genomen dat de vreemdeling sinds 2000 regelmatig - langdurig - in bewaring en strafrechtelijke detentie heeft gezeten en dat ondanks verschillende onderzoeken en presentaties bij de Marokkaanse autoriteiten tot op heden geen reisdocument is afgegeven.

Aldus heeft de rechtbank miskend dat in voormelde uitspraak van 3 juli 2007 is vastgesteld dat er toen geen aanknopingspunten waren voor het oordeel dat geen zicht op uitzetting bestond en dat de toen bevolen opheffing van de bewaring derhalve geen verband hield met het ontbreken van zodanig zicht. Voor een beoordeling of sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden op grond waarvan zicht op uitzetting aanwezig kan worden geacht, bestond derhalve geen aanleiding.

De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 19 juli 2007 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.3. In beroep heeft de vreemdeling aangevoerd dat, voor zover thans van belang, geen sprake is van zicht op uitzetting, nu de eerdere inbewaringstellingen niet tot uitzetting hebben geleid.

2.3.1. Dat de vreemdeling eerder in bewaring is gesteld en deze inbewaringstellingen niet tot zijn uitzetting hebben geleid, leidt op zichzelf niet tot het oordeel dat zicht op uitzetting ontbreekt.

2.3.2. Niet in geschil is dat op de vreemdeling, die geen rechtmatig verblijf hier te lande heeft, de rechtsplicht rust om Nederland te verlaten. Deze verplichting brengt onder meer met zich dat hij actieve en volledige medewerking dient te verlenen aan het verkrijgen van de voor zijn vertrek benodigde documenten. Voorts is het de vreemdeling die bij uitstek beschikt over de voor de vaststelling van zijn nationaliteit en identiteit benodigde gegevens en op wie de verplichting rust om belemmeringen voor deze vaststelling zo mogelijk weg te nemen.

2.3.3. Vaststaat dat de vreemdeling, ondanks meerdere aanzeggingen daartoe, Nederland niet heeft verlaten. Uit de stukken blijkt voorts niet dat hij pogingen heeft gedaan een reisdocument te verkrijgen.

Volgens het proces-verbaal van het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling heeft de vreemdeling medegedeeld dat hij zijn medewerking wil verlenen aan een identiteitsonderzoek voor het verkrijgen van een reisdocument. Er is geen grond voor het oordeel dat, indien de vreemdeling aan dat onderzoek zou meewerken en juiste en volledige gegevens zou verstrekken, dit niet tot het door de staatssecretaris beoogde resultaat kan leiden.

Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat zicht op uitzetting ontbreekt.

Het betoog faalt.

2.4. De Afdeling zal het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 19 juli 2007 alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 juli 2007 in zaak no. AWB 07/29343;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter

w.g. Hazen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2007

452.

Verzonden: 24 augustus 2007

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak