Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB2531

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2007
Datum publicatie
29-08-2007
Zaaknummer
200700732/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 december 2004 heeft de raad van de gemeente Oldenzaal (hierna: de gemeenteraad) een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) genomen voor het gebied Pannenkoekenplas en omgeving te Oldenzaal, zoals aangegeven op de bijbehorende tekening (hierna: het gebied). Tevens heeft de gemeenteraad in dit besluit een aanlegvergunningstelsel opgenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200700732/1.

Datum uitspraak: 29 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in de zaken nos. 06/110 en 06/281 van de rechtbank Almelo van 5 januari 2007 in het geding tussen:

appellante

en

de raad van de gemeente Oldenzaal.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2004 heeft de raad van de gemeente Oldenzaal (hierna: de gemeenteraad) een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) genomen voor het gebied Pannenkoekenplas en omgeving te Oldenzaal, zoals aangegeven op de bijbehorende tekening (hierna: het gebied). Tevens heeft de gemeenteraad in dit besluit een aanlegvergunningstelsel opgenomen.

Bij besluit van 15 december 2005 heeft de gemeenteraad het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Voorts heeft de gemeenteraad bij besluit van 15 december 2005 opnieuw een voorbereidingsbesluit voor het gebied genomen, waarin eveneens een aanlegvergunningstelsel is opgenomen.

Bij brief van 2 januari 2006 heeft appellante daartegen bezwaar gemaakt en de gemeenteraad verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep op de administratieve rechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De gemeenteraad heeft op 16 februari 2006 ingestemd met dat verzoek en bij brief van 23 februari 2006 het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden naar de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank).

Bij uitspraak van 5 januari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 15 december 2005 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 25 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 maart 2007 heeft de gemeenteraad van antwoord gediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van partijen. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juli 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. C.A.M. Luttikhuis, advocaat te Enschede, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door S.A. Vrielink en I. Christenhusz, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad verklaren, dat een bestemmingsplan wordt voorbereid (voorbereidingsbesluit).

   Ingevolge het derde lid van dit artikel kunnen bij een voorbereidingsbesluit voorschriften als bedoeld in artikel 14 van deze wet worden gegeven voor zover zulks noodzakelijk is om te voorkomen, dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van een daaraan bij het plan gegeven bestemming.

2.2.    Vast staat dat de voorbereidingsbesluiten zijn vervallen, omdat niet binnen één jaar na de inwerkingtreding van deze besluiten een ontwerp van een bestemmingsplan ter inzage is gelegd.

2.3.    Anders dan de gemeenteraad heeft gesteld kan niet worden geoordeeld dat appellante geen procesbelang heeft bij een beoordeling van de voorbereidingsbesluiten omdat deze besluiten inmiddels zijn vervallen, nu appellante in elk geval tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten gevolge van die voorbereidingsbesluiten schade heeft geleden.

2.4.    Vooropgesteld wordt dat de gemeenteraad bij de beslissing om al dan niet een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de WRO te nemen een grote mate van beleidsvrijheid heeft. Een dergelijke beslissing is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij het bestuursorgaan bestaan over de wenselijke planologische ontwikkelingen. Derhalve dient de rechter een zodanige beslissing terughoudend te toetsen.

2.5.    De gemeenteraad heeft de voorbereidingsbesluiten genomen omdat hij een natuurlijke ontwikkeling voor het gebied voor ogen heeft en ongewenste ontwikkelingen in dat kader tegen wil gaan.

2.6.    Anders dan appellante betoogt ziet de Afdeling onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat ten tijde van het nemen van de voorbereidingsbesluiten geen concreet voornemen bestond het ter plaatse geldende bestemmingsplan te herzien. Ter zitting bij de Afdeling heeft de gemeenteraad benadrukt dat, zoals is overwogen in het besluit op bezwaar van 15 december 2005, op het moment van het nemen van de voorbereidingsbesluiten reeds sprake was van ambtelijke voorbereiding en overleg. Voorts heeft de gemeenteraad naar voren gebracht dat in week 34 van dit jaar een voorontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd en waarschijnlijk in het najaar van 2007 een ontwerpbestemmingsplan voor het gehele buitengebied van de gemeente Oldenzaal in procedure zal worden gebracht.

2.7.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de gemeenteraad niet in redelijkheid tot het nemen van de voorbereidingsbesluiten en het daarin opgenomen aanlegvergunningstelsel heeft kunnen besluiten. Daartoe voert zij aan dat deze besluiten niet in overeenstemming zijn met het Streekplan Overijssel 2000+, omdat het gebied daarin is aangeduid als zone 1 "landbouw". Voorts brengt appellante naar voren dat de voorbereidingsbesluiten onvoldoende gemotiveerd zijn en dat daarbij onvoldoende rekening is gehouden met haar belangen.

2.7.1.    Het betoog faalt. Hoewel in zone 1 de functie "landbouw" centraal staat, sluit, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, hetgeen in het Streekplan Overijssel 2000+ is opgenomen met betrekking tot deze zone de door de gemeenteraad voorgestane natuurlijke ontwikkeling niet uit. De zoneaanduiding en de daarbij behorende beschrijving maken niet op voorhand duidelijk dat een wijziging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan in de door de gemeenteraad voorgestane zin in planologisch opzicht onaanvaardbaar is.

   De gemeenteraad heeft aangegeven ter plaatse een nieuw natuurgebied te willen ontwikkelen, dat aansluit op het nabijgelegen natuurgebied het Holthuis. Voorts is van belang geacht dat het gebied ligt binnen de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de besluiten onvoldoende gemotiveerd zijn, dan wel dat de gemeenteraad onvoldoende acht heeft geslagen op de door appellante naar voren gebrachte belangen. Aan de in het Natuurgebiedsplan Overijssel opgenomen passage dat de bestemming eerst zal worden gewijzigd nadat de gronden op vrijwillige basis zijn aangekocht, kan niet die waarde worden gehecht die appellante daaraan toegekend wil zien, te weten dat zijn gebrek aan bereidheid te verkopen elke andere planologische ontwikkeling dan de door hem gewenste in de weg zou staan.

2.8.    De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat de planologische afweging die aan het nemen van de voorbereidingsbesluiten ten grondslag is gelegd de rechterlijke toets kan doorstaan en dat de gemeenteraad een aanlegvergunningstelsel heeft kunnen koppelen aan deze besluiten. Hetgeen appellante naar voren heeft gebracht geeft de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Wijers

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2007

444