Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB2523

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2007
Datum publicatie
29-08-2007
Zaaknummer
200608561/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 2005 heeft de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen" (hierna: het CBR) geweigerd appellant een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën B en E bij B te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2007/191

Uitspraak

200608561/1.

Datum uitspraak: 29 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 06/58 van de rechtbank Middelburg van 18 oktober 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen".

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2005 heeft de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen" (hierna: het CBR) geweigerd appellant een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën B en E bij B te verlenen.

Bij besluit van 2 december 2005 heeft het CBR het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 oktober 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 28 november 2006, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 20 december 2006 zijn de gronden van het hoger beroep ingediend. Deze brieven zijn aangehecht.  

Bij brief van 19 januari 2007 heeft het CBR van antwoord gediend.

Bij brief van 9 mei 2007 zijn nadere stukken ingediend door appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2007, waar appellant, bijgestaan door mr. L.P. Kabel, advocaat te Eindhoven, en drs. J. Punt (hierna: Punt), deskundige, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. S.J.W. van den Vorstenbosch-Blom, werkzaam bij het CBR, en drs. A.W.P. Heera, medisch adviseur, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen (hierna: het Reglement) worden op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief verklaringen van geschiktheid door het CBR afgegeven aan een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen.

   Ingevolge artikel 103, eerste lid, van het Reglement geeft het CBR indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij voormelde regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid af.

       Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) worden eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

   In die bijlage is in paragraaf 8.8 "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

2.2.    De keurend arts dr. A.J. Boom, psychiater, (hierna: Boom) heeft in zijn verslag van bevindingen van 25 juni 2005 - kort samengevat - de diagnose gesteld dat het verhoogde percentage carbohydraat-deficiënt transferrine (hierna: CDT-waarde) van 3,2% bij appellant doet vermoeden dat het alcoholgebruik hoger is dan hij heeft opgegeven, maar dat ernstig frequent excessief alcoholgebruik onwaarschijnlijk is. Blijkens het verslag heeft toetsing aan de zogenoemde DSM-IV classificatie (onder meer) geleid tot de diagnose 'alcoholmisbruik in gedeeltelijke remissie'. Boom heeft het CBR op basis van zijn bevindingen geadviseerd om appellant voor een beperkte termijn van één jaar een Verklaring van geschiktheid te verstrekken, waardoor een duidelijke waarschuwing wordt gegeven.

   Het CBR heeft in afwijking van dit advies de gevraagde Verklaring van geschiktheid geweigerd. Aan de handhaving van dat besluit heeft het ten grondslag gelegd dat reeds op grond van de voorgeschiedenis van appellant van alcoholmisbruik en de bij hem gemeten verhoogde CDT-waarde van 3,2%, aannemelijk is dat (nog) sprake is van alcoholmisbruik.

2.3.    Appellant bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het CBR, gelet op alle hem ter beschikking staande gegevens, voldoende heeft gemotiveerd waarom in het onderhavige geval is afgeweken van het door Boom gegeven advies.

   Voorts voert appellant aan dat de CDT-waarde van 3,2% niet betrouwbaar is, althans niet als grondslag kon dienen voor de weigering van de verklaring. Daartoe betoogt hij - kort samengevat - dat er verschillende methodes zijn om deze waarde vast te stellen, dat deze tot verschillende uitkomsten kunnen leiden, dat de laboratoria die deze onderzoeken verrichten onderlinge verschillen vertonen en dat er een wetenschappelijke discussie gevoerd wordt bij welk % de beslisgrens moet liggen.

   Tot slot betoogt appellant dat ten onrechte geen mogelijkheid bestaat om een tegenonderzoek uit te voeren op het bloedmonster op basis waarvan de CDT-waarde van 3,2% is bepaald en dat dit een schending van artikel 6 van het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) oplevert.

2.4.        Gelet op de gevaren die het gebruik van alcohol oplevert voor de verkeersveiligheid, eist paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling een strenge opstelling van de keurend arts en is in die paragraaf bepaald dat personen waarbij eerder alcoholmisbruik is vastgesteld, aannemelijk of aantoonbaar moeten zijn gestopt met dit misbruik.

   Niet in geschil is dat bij appellant in de jaren 2002 en 2003 de diagnose alcoholafhankelijkheid is gesteld. Bij de keuring stond derhalve ter beoordeling of appellant aannemelijk of aantoonbaar met het alcoholmisbruik was gestopt. Op grond van deze in de Regeling, zijnde een wettelijk voorschrift, neergelegde maatstaven is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het CBR overwegende betekenis mocht toekennen aan de in het rapport van Boom neergelegde diagnose "Alcoholmisbruik in gedeeltelijke remissie", welke diagnose niet kan leiden tot de conclusie dat aannemelijk is dat appellant met het alcoholmisbruik is gestopt. Voorts deelt de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat voormelde diagnose is gebaseerd op het psychiatrische onderzoek, de voorgeschiedenis en de bij het bloedonderzoek vastgestelde verhoogde CDT-waarde.

2.5.    Naar aanleiding van hetgeen door appellant is aangevoerd omtrent het hanteren van de CDT-waarde als indicatie voor alcoholmisbruik overweegt de Afdeling als volgt.

   De in dit geval gebruikte Axis-Shieldmethode is een voor de bepaling van de CDT-waarde wetenschappelijk aanvaarde methode. Voorts is wetenschappelijk aanvaard dat een CDT-waarde boven de grenswaarde van 2,6% in 95% van de gevallen een indicatie voor alcoholmisbruik oplevert. Punt heeft ter zitting toegelicht dat de gehanteerde CDT-waarde van 2,6% een grenswaarde is waarover in internationaal wetenschappelijke kring concensus bestaat en welke is vastgelegd in de Overeenkomst van Berlijn.

   Vast staat dat de Axis-Shieldmethode in de door het CBR ingeschakelde laboratoria wordt toegepast waarbij thans een veiligheidsmechanisme is ingebouwd in die zin dat een duplometing plaatsvindt bij een uitslag van CDT-waarden tussen 2,5 en 3,0%.

2.5.1.    De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bij hem gemeten CDT-waarde door het CBR niet als één van de hulpmiddelen heeft mogen dienen om tot de conclusie te komen dat niet aan de hiervoor onder 2.4 aangegeven beoordelingsmaatstaf is voldaan. De Afdeling ziet gelet op het onder 2.5 overwogene geen grond voor het oordeel dat de grenswaarde van 2,6% niet als maatstaf mocht worden gebruikt. Het algemene betoog van appellant dat er verschillen tussen laboratoria bestaan bij de bepaling van CDT-waarden, laat onverlet dat bij appellant een CDT-waarde van 3,2% is vastgesteld, waarvan de juistheid niet door middel van een contra-expertise is weerlegd. Voorts is het betoog niet gericht tegen het hanteren van de grenswaarde van 2,6%, maar heeft het veeleer betrekking op de in acht te nemen veiligheidsmarge. De Afdeling gaat er, gelet op het doel van een op basis van internationaal overleg tussen deskundigen overeengekomen grenswaarde, van uit dat verschillen in laboratoriumomstandigheden daarin zijn verdisconteerd. Ook overigens ziet de Afdeling in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het CBR niet mocht uitgaan van deze grenswaarde. Dat er, zoals door Punt ter zitting is toegelicht, een wetenschappelijke discussie over de hoogte van CDT-waarden als grenswaarde en de daartoe gebruikte onderzoeksmethoden gaande is en dat sprake is van voortschrijdend inzicht op dit terrein, is eigen aan de wetenschap, en leidt niet tot een andere conclusie.

2.6.    Met betrekking tot de meting van de CDT-waarde in zijn geval heeft appellant betoogd dat de gemeten CDT-waarde van 3,2% geverifieerd had moeten worden of dat, ook in zijn geval, een duplometing had moeten plaatsvinden. Voorts heeft appellant betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat ten onrechte niet de mogelijkheid is geboden om een contra-expertise te laten uitvoeren op het gebruikte bloedmonster.

   Aan appellant kan worden toegegeven dat het plaatsvinden van een duplometing de zorgvuldigheid van het onderzoek verhoogd, in het bijzonder waar de uitkomst van de meting dichtbij de grenswaarde ligt. De Afdeling ziet evenwel in dit geval geen grond voor het oordeel dat de rechtbank het bij haar bestreden besluit diende te vernietigen omdat geen duplometing is verricht. Daartoe is redengevend dat bij appellant een waarde van 3,2% is gemeten, hetgeen ruim boven de grenswaarde van 2,6% ligt. Voorts is daarbij in aanmerking genomen hetgeen uit de voorgeschiedenis bekend is omtrent het drankgebruik van appellant alsmede de omstandigheid dat nu de voormelde diagnose van Boom, die het CBR blijkens het vorenoverwogene bepalend mocht achten, mede gebaseerd is op die voorgeschiedenis en op psychiatrisch onderzoek.

   Ten aanzien van het doen verrichten van een contra-expertise op de voor het laboratoriumonderzoek gebruikte bloedmonsters dient als uitgangspunt te gelden dat daartoe gelegenheid dient te worden geboden en dat die bloedmonsters daartoe enige tijd bewaard dienen te blijven. Op basis van een tweede test op hetzelfde bloedmonster kan immers de in het eerste onderzoek gemeten CDT-waarde ter discussie worden gesteld. Het ligt evenwel in de rede dat een verzoek om het ter beschikking stellen van het monster in een zo vroeg mogelijk stadium wordt gedaan. Nu appellant eerst hangende hoger beroep een zodanig verzoek heeft gedaan en niet valt in te zien dat hij dit niet in een eerder stadium had kunnen doen, acht de Afdeling zijn verzoek in ieder geval tardief.

   Ten aanzien van het beroep op artikel 6 van het EVRM overweegt de Afdeling als volgt. Zoals uit het voorgaande blijkt, is het uitvoeren van een contra-expertise op een bloedmonster in beginsel mogelijk. Dat een dergelijk monster na verloop van tijd en bij gebreke van een tijdig verzoek om ter beschikking stelling van het monster niet langer meer wordt bewaard, is niet in strijd met artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

2.7.    Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen rust op appellant de bewijslast om aannemelijk te maken dat hij behoort tot de kleine minderheid van personen bij wie een verhoogde CDT-waarde een andere oorzaak heeft dan alcoholgebruik. In beginsel mag er, gelet op de bij appellant gemeten verhoogde CDT-waarde in combinatie met zijn voorgeschiedenis, die door appellant niet is betwist, van uit worden gegaan dat dit een gevolg was van alcoholmisbruik, tenzij appellant een andere oorzaak van de verhoogde CDT-waarde aannemelijk maakt. De stelling van appellant dat bij hem wellicht een nog onbekende oorzaak tot een verhoogde CDT-waarde heeft geleid, is daarvoor een onvoldoende concrete aanwijzing.

   Het betoog van appellant over de genoegzaamheid van de CDT-waarde als grondslag voor de diagnose van Boom, leidt evenmin tot een ander oordeel, nu de verhoogde CDT-waarde, anders dan in de door appellant aangehaalde uitspraak van het Regionaal Medisch Tuchtcollege, niet de enige grond is voor diens conclusie omtrent het alcoholgebruik van appellant.

2.8.    Gelet op al het vorenstaande is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het CBR op grond van de hem ter beschikking staande gegevens deugdelijk en juist heeft gemotiveerd dat niet aan de wettelijke maatstaf als bedoeld onder 2.4 is voldaan. Omdat het advies van Boom, gelet op de daaraan ten grondslag liggende onder 2.2 weergegeven diagnose, niet in overeenstemming is met de hier aan te leggen (strenge) beoordelingsmaatstaf dat aannemelijk of aangetoond moet zijn dat het alcoholmisbruik is gestopt, heeft het CBR zich terecht op het standpunt gesteld dat het zijn besluit niet op dat advies kon baseren en was reeds daarom de afwijking daarvan gerechtvaardigd.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Molenaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Molenaar

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2007

369-440.