Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB2520

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2007
Datum publicatie
29-08-2007
Zaaknummer
200701498/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 januari 2007 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een akkerbouw- en tuinbouwbedrijf annex vleesstieren- en vleesvarkenshouderij op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 18 januari 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 10a
Natuurbeschermingswet 1998 19d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2007/152 met annotatie van Zijlmans
JOM 2007/598

Uitspraak

200701498/1.

Datum uitspraak: 29 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    de vereniging "Natuur- en Milieuvereniging Namiro Hoogerheide", gevestigd te Woensdrecht, en de vereniging "Benegora", gevestigd te Bergen op Zoom,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 januari 2007 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een akkerbouw- en tuinbouwbedrijf annex vleesstieren- en vleesvarkenshouderij op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 18 januari 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 21 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 28 februari 2007, en appellanten sub 2 bij brief van 28 februari 2007, op dezelfde dag per fax bij de Raad van State ingekomen, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 29 maart 2007.

Bij brief van 25 april 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2007, waar appellant sub 1 in persoon, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. I.L. van Geel, en verweerder, vertegenwoordigd door C.C.W. Soffers-Janssen, ambtenaar van de gemeente, en ing. R.C. van Diepen, werkzaam bij de Regionale Milieudienst West-Brabant, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door ing. J.B.M. Lauwerijssen en [gemachtigde], als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    De Afdeling overweegt allereerst dat niet aannemelijk is geworden dat, zoals verweerder en vergunninghoudster betogen, appellant sub 1 onvoldoende betrokken is bij het in de omgeving van de inrichting gelegen restaurant 'Jagersrust' om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt.    

2.2.    Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat in beroep slechts categorieën milieugevolgen als besluitonderdelen aan de orde kunnen worden gesteld waarover een zienswijze naar voren is gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten.

   Appellanten sub 2 hebben geen zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot de emissie van zogenoemd fijn stof. Nu niet is gebleken dat redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hierover geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, is de hierop betrekking hebbende beroepsgrond niet-ontvankelijk.

       Anders dan verweerder stelt heeft de beroepsgrond van appellanten sub 2 over de toepassing van de beste beschikbare technieken betrekking op een besluitonderdeel inzake ammoniakemissie waarover een zienswijze naar voren is gebracht. In zoverre is er geen grond voor niet-ontvankelijk verklaring van het beroep van appellanten sub 2.

2.3.    Appellanten sub 1 en 2 betogen dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 6, derde lid, van de richtlijn 92/43/EEG (hierna: de Habitatrichtlijn) gezien de effecten op het in de nabijheid van de inrichting gelegen gebied "Ossendrecht". Dit gebied is geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang in de zin van de Habitatrichtlijn.

2.3.1.    In artikel 4, vijfde lid, van de Habitatrichtlijn is bepaald dat de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, gelden zodra een gebied op de lijst van gebieden van communautair belang is geplaatst.

   In artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn is, voor zover hier van belang, bepaald dat voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar significante gevolgen kan hebben voor het gebied, een passende beoordeling wordt gemaakt van de gevolgen voor het gebied en dat door de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor het plan of project wordt gegeven nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten.

2.3.2.     Het gebied van communautair belang "Ossendrecht" valt in de omgeving van de inrichting samen met het bij besluit van 24 maart 2000, kenmerk N/2000/337, door de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4 van de Richtlijn 79/409/EEG (hierna: de Vogelrichtlijn) aangewezen gebied "Brabantse Wal". Ingevolge artikel V, eerste lid, van de Wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen (Stb. 2005, 195), geldt een dergelijke aanwijzing als besluit als bedoeld in artikel 10a van de Natuurbeschermingswet 1998.

   Nu het gebied "Brabantse wal" krachtens artikel 10a van de Natuurbeschermingswet 1998 is aangewezen, is het ingevolge artikel 19d van deze wet verboden om - kort weergegeven en voor zover hier van belang - zonder vergunning projecten te realiseren die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het gebied kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

2.3.3.    Waar, zoals hier, artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 toepassing vindt omdat krachtens artikel 10a van deze wet een speciale beschermingszone in de zin van de Vogelrichtlijn is aangewezen, terwijl een met deze beschermingszone samenvallend gebied van communautair belang in de zin van de Habitatrichtlijn niet is aangewezen, dient artikel 19d Habitatrichtlijnconform te worden geïnterpreteerd. Deze interpretatie houdt in dat bij de toepassing van artikel 19d zowel de instandhoudingsdoelstelling van de speciale beschermingszone als die van het gebied van communautair belang moet worden betrokken.

   Dit brengt mee dat de werking van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn de particulieren bereikt via toepassing van het richtlijnconform geïnterpreteerde artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998. Een rechtstreeks beroep op artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn in de huidige procedure omtrent de verlening van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer is gelet hierop niet aan de orde.

   De beroepsgrond over strijd met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn treft dan ook geen doel.

2.4.    Appellanten sub 2 stellen dat het vergunde stalsysteem niet een beste beschikbare techniek in de zin van de Wet milieubeheer is.

2.4.1.    Verweerder heeft in het bestreden besluit en het verweerschrift uitvoerig uiteengezet waarom het vergunde stalsysteem een in aanmerking komende beste beschikbare techniek is. De niet nader onderbouwde stelling van appellanten dat geen sprake is van een beste beschikbare techniek, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zijn standpunt niet in redelijkheid heeft kunnen innemen.

2.5.    Appellant sub 1 is beducht voor stankhinder.

   Verweerder heeft bij de beoordeling van de stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 en de brochure Veehouderij en Hinderwet gehanteerd. Uit het bestreden besluit blijkt dat wordt voldaan aan de op grond van dit beoordelingskader minimaal vereiste afstanden. Appellant sub 1 heeft niet gemotiveerd op grond waarvan deze beoordeling onjuist is. Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het in werking zijn van de inrichting niet tot onaanvaardbare stankhinder leidt. De beroepsgrond slaagt niet.

2.6.    De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellanten sub 2 niet-ontvankelijk voor zover het de grond inzake de emissie van zogenoemd fijn stof betreft;

II.    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Van der Zijpp

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2007

262-493.