Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB2502

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2007
Datum publicatie
29-08-2007
Zaaknummer
200609369/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmerliede en Spaarnwoude (hierna: het college) appellant de gevraagde wijziging van zijn ligplaatsvergunning geweigerd. Voorts is appellant onder oplegging van een dwangsom van € 750,00 per week of gedeelte daarvan en met een maximum van vier weken of € 3000,00 gelast het onderhoudsvlot dan wel de drijvende steiger waarop de aanvraag betrekking had te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200609369/1.

Datum uitspraak: 29 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05-6257 van de rechtbank Haarlem van 20 november 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmerliede en Spaarnwoude.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmerliede en Spaarnwoude (hierna: het college) appellant de gevraagde wijziging van zijn ligplaatsvergunning geweigerd. Voorts is appellant onder oplegging van een dwangsom van € 750,00 per week of gedeelte daarvan en met een maximum van vier weken of € 3000,00 gelast het onderhoudsvlot dan wel de drijvende steiger waarop de aanvraag betrekking had te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 19 oktober 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 november 2006, verzonden op 21 november 2006, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2006, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 25 januari 2007 heeft appellant de gronden van zijn hoger beroep aangevuld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 19 maart 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2007, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. P. Katz, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door P.J. Oud, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 5.3.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening van Haarlemmerliede en Spaarnwoude (hierna: de APV), voor zover thans van belang, wordt onder ligplaats verstaan een gedeelte van het openbaar water, bestemd of geschikt om door een woonschip met bijbehorende voorzieningen te worden ingenomen en wordt onder bijbehorende voorzieningen verstaan zaken zonder welke het gebruik van het schip als woning niet goed mogelijk is, zoals een bijboot, steiger en een loopplank.

   Ingevolge artikel 5.3.3, tweede lid, van de APV mag, voor zover thans van belang, een woonschip ligplaats innemen en hebben, mits de rechthebbende op het woonschip beschikt over een vergunning daarvoor van burgemeester en wethouders.

   Ingevolge artikel 5.3.3, derde lid, van de APV kan een ligplaatsvergunning worden geweigerd indien:

a. voor de ligplaats al vergunning is verleend,

b. de afstand tot het naastgelegen schip minder dan 5 meter is, waarbij de genoemde maten uitwendig worden gemeten daar waar zij het grootst zijn,

c. het woonschip belemmeringen kan veroorzaken aan het verkeer te water of te land,

d. het uiterlijk van het woonschip afbreuk doet aan het aanzien van de gemeente,

e. het woonschip niet voldoet aan eisen van veiligheid en gezondheid,

f. het niet aannemelijk is dat de aanvrager binnen 12 weken na het indienen van de aanvraag met het woonschip de plaats waarvoor de ligplaatsvergunning is aangevraagd, kan innemen.

   Ingevolge artikel 5.3.3, vierde lid, van de APV, voor zover hier van belang, vermeldt de ligplaatsvergunning de bijbehorende voorzieningen en de kenmerken van het woonschip.

   Ingevolge artikel 5.3.5, tweede lid, van de APV is op een aanvraag tot wijziging van een ligplaatsvergunning het bepaalde in artikel 5.3.3, derde lid, onder b tot en met f, van toepassing.

2.2.    De aanvraag ziet op een onderhoudsvlot dan wel drijvende steiger (hierna: het vlot) van 8 m bij 3,20 m.

   Aan de afwijzing van deze aanvraag heeft het college in het besluit op bezwaar ten grondslag gelegd dat het vlot niet kan worden aangemerkt als een bijbehorende voorziening als bedoeld in artikel 5.3.1 van de APV, omdat voor dergelijke voorzieningen volgens het college een maximale breedte van 1 m voldoende kan worden geacht.

2.3.    Appellant bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een vlot van de gevraagde afmetingen noodzakelijk is voor het onderhoud van het woonschip. Daartoe voert hij aan dat bij deze beoordeling de aard van de voorziening bepalend is en niet haar omvang. Voor zover de omvang wel van belang kan zijn, meent appellant dat 1 m in zijn geval ontoereikend is en dat het college bij de beoordeling van de aanvraag had moeten nagaan of de gevraagde omvang nodig was voor het onderhoud aan zijn woonschip en in hoeverre het mogelijk was dit te vergunnen.

2.4.    Gelet op de omschrijving van het begrip bijbehorende voorziening in artikel 5.3.1 van de APV voert appellant terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat voor de vraag of een voorziening als zodanig moet worden aangemerkt de aard daarvan bepalend is. Enige beperking in de omvang van de bijbehorende voorziening kent de begripsomschrijving niet. Een voorziening voor onderhoud aan een schip is aan te merken als een zaak zonder welke het gebruik van het schip als woning niet goed mogelijk is en moet derhalve in beginsel als bijbehorende voorziening worden aangemerkt. Uit de aanvraag blijkt genoegzaam dat het vlot is bedoeld voor het onderhoud aan het woonschip, zodat moet worden geoordeeld dat de aanvraag betrekking heeft op een bijbehorende voorziening. Voorts kan een aanvraag om wijziging van een vergunning voor het innemen van een ligplaats met een woonschip in verband met het aanbrengen van een bijbehorende voorziening slechts worden geweigerd op de in artikel 5.3.3, derde lid, van de APV weergegeven gronden. Eerst bij de beoordeling of de wijziging van de vergunning op die gronden moet worden geweigerd, kan de gevraagde omvang van het vlot, en de in dat verband door het college mogelijk te stellen eisen, een rol spelen. Bij die beoordeling dient het college te betrekken dat ter zitting door appellant is gesteld dat de hoogte van zijn woonschip 7,5 m is en dat om die reden de breedte van de voorziening minimaal 3 m moet zijn.

2.5.    Appellante heeft in hoger beroep niet afzonderlijke gronden aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat het college bevoegd was tot het opleggen van de last onder dwangsom tot verwijdering van het vlot. De rechtbank heeft dit oordeel evenwel direct en uitsluitend gebaseerd op haar oordeel dat het college het verzoek om wijziging van de ligplaatsvergunning niet ten onrechte heeft afgewezen. Tussen beide oordelen bestaat derhalve een zodanige samenhang dat de door appellant tegen het laatste oordeel aangevoerde gronden geacht moeten worden mede te zijn gericht tegen het daaruit direct voortvloeiende oordeel over de handhavingsbevoegdheid van het college. Gelet op hetgeen de Afdeling hiervoor heeft overwogen, is aan dit oordeel de grondslag ontvallen.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het vorenoverwogene, het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en met artikel 3:2 van die wet wegens een onzorgvuldige voorbereiding.

2.7.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 20 november 2006 in zaak no. AWB 05-6257;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmerliede en Spaarnwoude van 19 oktober 2005, kenmerk 3160;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmerliede en Spaarnwoude tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.329,20 (zegge: dertienhonderdnegenentwintig euro en twintig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 354,00 (zegge: driehonderdvierenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Scheerhout, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Scheerhout

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2007

318.