Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB2496

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-08-2007
Datum publicatie
29-08-2007
Zaaknummer
200704891/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 mei 2007 heeft verweerder de door verzoekster ingediende aanvraag om een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor een varkenshouderij op het perceel Noordermeerpad 1 te Creil, buiten behandeling gelaten.

Wetsverwijzingen
Besluit milieueffectrapportage
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2007/150 met annotatie van Pieters
JOM 2007/596

Uitspraak

200704891/1.

Datum uitspraak: 24 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Zuiderzee B.V.", gevestigd te Creil, gemeente Noordoostpolder,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Flevoland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2007 heeft verweerder de door verzoekster ingediende aanvraag om een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor een varkenshouderij op het perceel Noordermeerpad 1 te Creil, buiten behandeling gelaten.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 13 juli 2007, bij de Raad van State op dezelfde dag ingekomen, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 augustus 2007, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.A.I. Eringfeld en J.A. van Wigcheren, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Verzoekster betoogt dat verweerder de door haar ingediende aanvraag om vergunning ten onrechte buiten behandeling heeft gelaten, nu het volgens haar niet nodig is om een milieueffectrapport op te stellen.

2.2.    Verweerder heeft de vergunningaanvraag buiten behandeling gelaten, omdat daarbij geen milieueffectrapport is overgelegd. In dit verband wijst verweerder op het feit dat de aangevraagde activiteit betrekking heeft op een inrichting met meer dan 3.000 plaatsen voor mestvarkens.

2.3.    In categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit

milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit mer) is als activiteit ten aanzien waarvan bij de voorbereiding van een besluit het maken van een milieueffectrapport verplicht is, onder meer aangewezen: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van varkens in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met meer dan 3.000 plaatsen voor mestvarkens.

2.4.    Naar het oordeel van de Voorzitter volgt uit de tekst van deze bepaling dat bij een voorgenomen uitbreiding van een veehouderij het opstellen van een milieueffectrapport eerst verplicht is indien die uitbreiding meer dan 3.000 mestvarkens omvat.

2.5.    De aanvraag om vergunning heeft betrekking op het houden van 11.520 mestvarkens. Bij de voor de inrichting geldende vergunning(en) zijn 9.768  mestvarkens vergund. Het aantal te houden mestvarkens neemt dan ook toe met 1.752. Derhalve wordt niet voldaan aan de drempelwaarde van 3.000 mestvarkens zoals opgenomen in categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer. Verweerder heeft de aanvraag om vergunning dan ook ten onrechte buiten behandeling gelaten.

2.6.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Flevoland van 16 mei 2007, kenmerk 540026;

II.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Flevoland tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 674,53 (zegge: zeshonderdvierenzeventig euro en drieënvijftig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Flevoland aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    gelast dat de provincie Flevoland aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Van der Maesen de Sombreff

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2007

190-493.