Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB2472

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2007
Datum publicatie
29-08-2007
Zaaknummer
200702131/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 oktober 2000 heeft de gemeenteraad van Maartensdijk het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200702131/1.

Datum uitspraak: 29 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Natuur en Milieufederatie Utrecht",

gevestigd te Utrecht,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2000 heeft de gemeenteraad van Maartensdijk het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 5 juni 2001, kenmerk 2001REG001268i, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

De Afdeling heeft het besluit van 5 juni 2001 bij uitspraak van 27 augustus 2003, nos. 200103396/1 en 200105173/1, gedeeltelijk vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 1 juni 2004, kenmerk 2004REG00966i, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

De Afdeling heeft het besluit van 1 juni 2004 bij uitspraak van 28 september 2005, no. 200405903/1, gedeeltelijk vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 30 januari 2007, nummer 2007REG000117i, voor zover nodig opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 26 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 27 maart 2007, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 april 2007.

Bij brief van 24 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Bilt een schriftelijke uiteenzetting omtrent het beroep ingediend. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

Bij brief van 1 juni 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door C.S. van Holsteijn, en verweerder, vertegenwoordigd door N.M. van Hattem, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van De Bilt, vertegenwoordigd door A. van Breda, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2.    Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het buitengebied van de voormalige gemeente Maartensdijk (thans: De Bilt).

2.3.    Bij uitspraak van 27 augustus 2003, nos. 200103396/1 en 200105173/1, heeft de Afdeling, voor zover thans van belang, het besluit van verweerder van 5 juni 2001 vernietigd, voor zover het betreft de verlening van goedkeuring aan de plandelen met de bestemming "Stadsrandgebied" en de plandelen met de bestemming "Kleinschalig Overgangsgebied", voor zover toegekend aan een zone van 1000 meter rondom - op 1 mei 1988 - bestaande voor verzuring gevoelige natuur- en bosgebieden die zijn gelegen binnen de ecologische hoofdstructuur, binnen een zone van 250 meter rondom de omvangrijke voor verzuring gevoelige natuur- en bosgebieden buiten de ecologische hoofdstructuur of binnen een zone van 200 meter rondom primaire woon- en recreatiefuncties.

Aangezien appellante ter zitting op 2 juni 2003 haar beroepsgrond had beperkt, voor zover hier van belang, tot de woonkernen Westbroek, Hollandsche Rading, Maartensdijk en Groenekan, tot de bungalowparken De Egelshoek en Graaf Floris V en tot de camping Het Kleine Bos, heeft de door de Afdeling bij uitspraak van 27 augustus 2003 uitgesproken vernietiging in zoverre geen verdere strekking dan als hier aangegeven.

De Afdeling heeft deze vernietiging gegrond op de overweging, samengevat weergegeven, dat uit het besluit van 5 juni 2001 niet blijkt dat verweerder het plan heeft getoetst aan het in de provinciale "Handleiding bestemmingsplannen buitengebied" neergelegde beleid, dat inhoudt dat het ter beperking van ammoniakemissie gewenst is om in bepaalde gebieden de niet-grondgebonden veehouderijen te reguleren door middel van zonering.

   Bij besluit van 1 juni 2004 heeft verweerder opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Bij uitspraak van 28 september 2005, no. 200405903/1, heeft de Afdeling dit besluit van verweerder, voor zover thans van belang, vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemming "Stadsrandgebied" en de plandelen met de bestemming "Kleinschalig Overgangsgebied", voor zover toegekend aan een zone van 1000 meter rondom - op 1 mei 1988 - bestaande voor verzuring gevoelige natuur- en bosgebieden die zijn gelegen binnen de ecologische hoofdstructuur, binnen een zone van 250 meter rondom de omvangrijke voor verzuring gevoelige natuur- en bosgebieden buiten de ecologische hoofdstructuur of binnen een zone van 200 meter rondom de woonkernen Westbroek, Hollandsche Rading, Maartensdijk en Groenekan, het bungalowpark De Egelshoek, het bungalowpark Graaf Floris V en de camping Het Kleine Bos.

   Daartoe heeft de Afdeling het volgende overwogen:

   "2.9. Stichting Natuur en Milieufederatie Utrecht stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend voorzover daarin rond woonkernen, recreatieterreinen en natuurgebieden geen zones zijn opgenomen, waarbinnen een zogenoemde 'standstill' geldt voor de intensieve veehouderij. Zij wijst er daarbij op dat de provinciale handleiding dergelijke zones voorschrijft ter voorkoming van onaanvaardbare stankhinder en verdere verzuring. Voorts acht appellante het in het plan gemaakte verschil in bebouwingsmogelijkheden voor intensieve veehouderij nabij enerzijds de kern Westbroek/Achttienhoven en anderzijds de kernen Groenekan en Hollandsche Rading niet objectief gerechtvaardigd en derhalve in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

    (…)

    2.9.5. In het bestreden besluit is verweerder niet op de bedenkingen van appellante op dit punt ingegaan. Ook anderszins is verweerder niet ingegaan op de door appellante gestelde strijdigheid van het plan op dit punt met het provinciale ruimtelijke beleid. De in het bestreden besluit aan de Wet ammoniak en veehouderij gewijde overwegingen doen hieraan niet af, daargelaten het feit dat deze slechts betrekking hebben op plandelen met de bestemming "Zoddengebied". Het bestreden besluit is in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd. Het beroep is in zoverre gegrond en het bestreden besluit dient wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemming "Stadsrandgebied" en de plandelen met de bestemming "Kleinschalig Overgangsgebied", voorzover toegekend aan een zone van 1000 meter rondom - op 1 mei 1988 - bestaande voor verzuring gevoelige natuur- en bosgebieden die zijn gelegen binnen de ecologische hoofdstructuur, binnen een zone van 250 meter rondom de omvangrijke voor verzuring gevoelige natuur- en bosgebieden buiten de ecologische hoofdstructuur of binnen een zone van 200 meter rondom de woonkernen Westbroek, Hollandsche Rading, Maartensdijk en Groenekan, het bungalowpark De Egelshoek, het bungalowpark Graaf Floris V en de camping Het Kleine Bos. (..)"

2.4.    Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder aan de hiervoor genoemde plandelen goedkeuring verleend. Appellante richt zich in beroep tegen de goedkeuring van deze plandelen. De Afdeling dient de vraag te beantwoorden of verweerder bij het bestreden besluit heeft voldaan aan de uitspraak van 28 september 2005, no. 200405903/1, en of hij het in die uitspraak geconstateerde gebrek in het besluit van 1 juni 2004, rekening houdend met van belang zijnde nieuwe feiten en omstandigheden, heeft weggenomen.

2.5.    Appellante stelt dat het plan ten onrechte niet voorziet in regulering van de intensieve veehouderij en dat dit ten onrechte wordt doorgeschoven naar de milieuregelgeving, namelijk de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv) en de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: de Wav). Appellante voert hiertoe aan dat deze wetten een algemene regeling beogen te treffen terwijl geurhinder en ammoniakuitstoot lokale problemen zijn zodat lokale overheden door middel van een gemeentelijke verordening of bestemmingsplannen ter zake regelingen dienen op te stellen. Hierbij wijst appellante op de toelichting bij de tweede nota van wijziging van de Wav en op de Memorie van Toelichting bij de Wgv. Aangezien, aldus appellante, in dit plan geen bescherming aan natuur en milieu wordt geboden tegen vestiging en uitbreiding van intensieve veehouderijen en evenmin wordt gemotiveerd waarom extra bescherming niet nodig is, heeft verweerder in zoverre ten onrechte goedkeuring aan het plan verleend.

Voorts stelt appellante dat het in het plan gemaakte verschil in bebouwingsmogelijkheden voor intensieve veehouderij nabij enerzijds de kern Westbroek/Achttienhoven en anderzijds de kernen Groenekan en Hollandsche Rading niet objectief gerechtvaardigd is en derhalve in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

2.6.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan in overeenstemming is met het thans geldende provinciale beleid. Dit beleid is neergelegd in de op 26 februari 2006 vastgestelde Handleiding bestemmingsplannen 2006. Deze Handleiding stelt niet, anders dan de Handleiding bestemmingsplannen buitengebied 1998, dat het gewenst is intensieve veehouderij rondom primaire woon- en recreatiefuncties te reguleren door middel van zonering. Verweerder wijst erop dat het thans geldende provinciale beleid met betrekking tot de intensieve veehouderij is geformuleerd in het Streekplan 2005-2015, dat is vastgesteld op 13 december 2004. Daarin staat dat voor de ontwikkelingsmogelijkheden voor de intensieve veehouderij wordt aangesloten bij de Wav. De Wav is van toepassing op de voor verzuring gevoelige gebieden (kwetsbare gebieden) en een zone van 250 meter hieromheen. Als kwetsbare gebieden worden beschouwd alle bestaande aaneengesloten bos en natuurgebieden (van voor 1 mei 1988) groter dan 5 hectare, die onderdeel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur (hierna ook: de EHS) en die voorkomen op zuurgevoelige bodems, alsmede de schraalgraslanden, ongeacht het bodemtype. In die gebieden mogen geen nieuwe veehouderijen worden opgericht en hebben bestaande veehouderijen slechts beperkte uitbreidingsmogelijkheden.

2.6.1.    Bij besluit van 19 december 2006 heeft verweerder op de bij dit besluit behorende kaart "Utrechtse EHS t.b.v. de Wav" de gebieden in de provincie Utrecht aangegeven die voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, van de Wav, deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur.

In het bestreden besluit is aangegeven dat het plan geen nieuwvestiging van intensieve veehouderijen mogelijk maakt. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van verweerder aangegeven dat de bestaande intensieve veehouderijen en de bestaande agrarische bedrijven met intensieve veehouderij als neventak, voor zover gesitueerd in de bestreden plandelen, niet liggen binnen de kwetsbare gebieden in de zin van de Wav, zodat uit deze wet geen beperkingen voortvloeien voor deze bedrijven. Appellante heeft dit niet betwist. Verweerder heeft derhalve geen grond hoeven zien voor het oordeel dat het plan in zoverre ten onrechte niet voorziet in een aanvullende regeling omtrent vestiging en uitbreiding van intensieve veehouderijen. Het beroep van appellante op de toelichting bij de tweede nota van wijziging van de Wav (TK 2001-2002, 27 836, nr. 18) leidt niet tot een ander oordeel, omdat uit deze toelichting niet kan worden afgeleid dat de vestiging en uitbreiding van intensieve veehouderijen in het bestemmingsplan dient te worden gereguleerd, dan wel dat dient te worden gemotiveerd waarom regulering daarvan niet nodig is. In hetgeen appellante heeft aangevoerd met betrekking tot de Wgv heeft verweerder evenmin aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat het plan in zoverre ten onrechte niet voorziet in een aanvullende regeling omtrent vestiging en uitbreiding van intensieve veehouderijen.

2.7.    Ten aanzien van het betoog van appellante dat gelet op het gelijkheidsbeginsel de beperking van de bebouwingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijen zoals die in het plan is opgenomen voor agrarische bedrijven nabij de kern Westbroek/Achttienhoven, ook behoort te worden opgelegd aan de agrarische bedrijven nabij de kernen Groenekan en Hollandsche Rading, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat bovengenoemde kernen in ruimtelijk opzicht zodanig met elkaar overeenkomen dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het in het plan gemaakte onderscheid in bebouwingsmogelijkheden voor intensieve veehouderij. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat van de zijde van de gemeenteraad en verweerder is aangegeven dat Westbroek een tamelijk dichtbebouwd lint is met een overwegende woonfunctie waarbinnen een groot aantal agrarische bedrijven is gevestigd, terwijl in de nabijheid van de kernen Groenekan en Hollandsche Rading slechts een klein aantal agrarische bedrijven is gevestigd.

2.8.    Gezien het vorenstaande geeft hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich in het thans bestreden besluit van 30 januari 2007 niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en evenmin voor het oordeel dat verweerder, met inachtneming van het ten tijde van dat besluit geldende provinciale ruimtelijke beleid, het in de uitspraak van 28 september 2005 in zaak no. 200405903/1 geconstateerde gebrek niet heeft weggenomen. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is mitsdien ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto    w.g. De Rooy

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2007

204-472.