Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB2471

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2007
Datum publicatie
29-08-2007
Zaaknummer
200609162/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 maart 2006 heeft de gemeenteraad van Ommen, het bestemmingsplan "Buitengebied, partiële herziening [locaties]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200609162/1.

Datum uitspraak: 29 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de gemeenteraad van Ommen,

2.    [appellante sub 2], waarvan de vennoten zijn [vennoot a en b], gevestigd te [plaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2006 heeft de gemeenteraad van Ommen, het bestemmingsplan "Buitengebied, partiële herziening [locaties]" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 31 oktober 2006, kenmerk RWB/2006/1056, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 20 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2006, en appellanten sub 2 bij brief van 2 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 3 januari 2007, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 29 januari 2007.

Belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld als partij deel te nemen. [belanghebbende] heeft zich bij brief van 26 februari 2007 als partij aangemeld.

Bij brief van 8 maart 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2007, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door mr. J.V. van Ophem, advocaat te Leeuwarden, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door [vennoten], en bijgestaan door mr. S. Maakal, advocaat te Heerenveen, en verweerder, vertegenwoordigd door T. Drint, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. [belanghebbende] is ter zitting niet verschenen.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Standpunt van verweerder

2.2.    Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarische Doeleinden, Kwekerij (A(K))" en de aanduiding 'bedrijfswoning toegestaan' dat betrekking heeft op de [locatie a] en aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" met de aanduiding 'met bijgebouwen (MG)' dat betrekking heeft op de [locatie]. Daartoe heeft hij overwogen dat het toestaan van een nieuwe woning in het buitengebied in strijd is met het Streekplan Overijssel 2000+ (hierna: het streekplan).

Standpunt van appellanten

2.3.    Appellanten bestrijden deze onthouding van goedkeuring. Appellanten sub 2 voeren aan dat zij aan [locatie a] een volwaardig agrarisch bedrijf hebben waar een bedrijfswoning bij hoort en dat van nieuwvestiging geen sprake meer kan zijn. Naar hun stelling is deze planherziening de afronding van de bedrijfsverplaatsing. Het provinciale beleidsstuk "Handreiking en beoordeling ruimtelijke plannen" (hierna: de Handreiking) staat bedrijfsverplaatsing onder voorwaarden toe en aan die voorwaarden is voldaan. Doordat verweerder nu de uitwisseling van bestemmingen niet toestaat, handelt hij in strijd met het vertrouwensbeginsel, aldus appellanten sub 2.

   Appellant sub 1 stelt dat de kwekerij blijkens de voor de vestiging verleende verklaring van geen bezwaar planologisch aanvaardbaar wordt geacht, zodat een bedrijfswoning moet worden toegestaan. Dit blijkt ook uit de Handreiking. Nu op de [locatie] geen bedrijf meer aanwezig is, kan de op dat perceel aanwezige woning niet als bedrijfswoning worden aangemerkt. Het bestemmen van deze woning als burgerwoning is slechts de bestaande situatie vastleggen, aldus appellant sub 1. Hij stelt tevens dat het bedrijfsmatig noodzakelijk is dat de eigenaar van het bedrijf dichtbij de kwekerij kan wonen. Tot slot voert appellant sub 1 nog aan dat wanneer het onderhavige plan geheel wordt goedgekeurd, de op het perceel [locatie] aanwezige kassen gesloopt zullen worden. Dit zal een ruimtelijke verbetering zijn voor de omgeving.

Vaststelling van de feiten

2.4.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.1.    Appellanten sub 2 hebben een kwekerij op het perceel [locatie a] te [plaats]. In het plan is aan de gronden de bestemming "Agrarische doeleinden - kwekerij (A(K))" toegekend met op een gedeelte van het perceel de aanduiding 'bedrijfswoning toegestaan' en op een ander gedeelte de aanduiding 'bebouwing toegestaan'.

In het vorige plan hadden de gronden de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde, besloten landschap".

   In het huidige plan voorziet het plandeel dat betrekking heeft op de [locatie] voor het grootste gedeelte in de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde, besloten landschap".

Het gedeelte van het perceel waar zich de bestaande bebouwing bevindt, is bestemd als "Woondoeleinden (W)" met op verschillende gedeelten de aanduidingen 'vrijstaande woningen (V)', 'met bijgebouwen (MG)' en 'zonder bijgebouwen (ZG)'.

In het vorige plan had dit plandeel de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" met de aanduiding 'glastuinbouw (gt)' en de aanduidingen 'bedrijfswoning toegestaan' en 'karakteristieke verschijningsvorm (k)'.

2.4.2.    Blijkens kaart 1 van het streekplan ligt het plangebied in zone III - natuur, landschap, cultureel erfgoed en landbouw.

In paragraaf 4.2. van het streekplan is opgenomen dat nieuwe bebouwing en grondgebruikvormen, die niet functioneel zijn gebonden aan de groene ruimte, daarin in principe niet toelaatbaar zijn.

In paragraaf 4.2.2. van het streekplan is vermeld dat de hoofdkoers voor een gebied in zone III is gelegen in het behoud en de ontwikkeling van natuur, bos en landschap, het behoud van cultureel erfgoed en recreatief medegebruik.

2.4.3.    In paragraaf 4.2.4.1 van de Handreiking is vermeld dat nieuwvestiging of verplaatsing van agrarische bedrijven in zone III alleen mogelijk is als onderdeel van een gebiedsgerichte aanpak waarbij per saldo een meerwaarde wordt bereikt en de gebiedskwaliteiten worden versterkt.

2.4.4.    In paragraaf 4.2.4.5 van de Handreiking is vermeld dat een tweede bedrijfswoning in beginsel niet wordt toegestaan, maar dat in een aantal gevallen de behoefte aan een tweede bedrijfswoning bij agrarische bedrijven blijft bestaan. Voor die gevallen is een uitzondering mogelijk, het dient daarbij in alle gevallen te gaan om agrarische bedrijven gericht op het houden van dieren.

2.4.5.    In paragraaf 4.2.7.1 van de Handreiking is gesteld dat het streekplan zich tegen verdere verstening van het buitengebied verzet, hetgeen betekent dat het oprichten van nieuwe woningen is uitgesloten.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.    De woning op het perceel aan de [locatie] behoort planologisch gezien tot de nabijgelegen bedrijfsfunctie, in aanmerking genomen dat deze woning vanouds als bedrijfswoning bij deze bedrijfsfunctie is gebruikt en in het vorige bestemmingsplan ook overeenkomstig dat gebruik was bestemd. Het feit dat het bouwblok van deze bedrijfsfunctie gedeeltelijk is verplaatst naar het naastgelegen perceel, is niet van invloed op het feit dat de desbetreffende woning in planologische zin de bij de bedrijfsfunctie behorende bedrijfswoning is. Het feit dat appellanten sub 2 eigenaar van het bedrijf zijn, terwijl zij geen eigenaar zijn van de woning, doet aan deze functionele verbondenheid niet af. Het toestaan van een nieuwe bedrijfswoning is in strijd met het streekplan. Ook het toestaan van een nieuwe burgerwoning in het buitengebied is met het streekplan in strijd.

   Het bezwaar van appellanten dat de Handreiking wel een nieuwe bedrijfswoning toestaat, berust op onjuiste lezing ervan. Anders dan bij agrarische bedrijven is ook op grond van de Handreiking bij een kwekerij, zoals die van appellanten sub 2, geen tweede bedrijfswoning toegestaan. Voor zover appellanten stellen dat het een volgens de Handreiking toegestane bedrijfsverplaatsing betreft, overweegt de Afdeling dat bedrijfsverplaatsing in zone III enkel is toegestaan als onderdeel van een gebiedsgerichte aanpak. Daarvan is in het onderhavige plan geen sprake.

Verweerder heeft met de bestreden onthouding van goedkeuring dan ook in overeenstemming met zijn beleid gehandeld. De vraag of hetgeen appellanten hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder niet aan dit beleid heeft kunnen vasthouden en, bij gebreke aan de bevoegdheid om van dit onderdeel van het streekplan af te wijken, provinciale staten had moeten verzoeken het streekplan in zoverre te herzien, wordt ontkennend beantwoord. Daarbij is het navolgende van belang.

2.5.1.    Ten aanzien van de bezwaren van appellanten dat verweerder bij de aanvraag voor de verklaring van geen bezwaar voor de bedrijfsbebouwing had moeten beseffen dat het om nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf ging en dat hij door het verlenen van deze verklaring de indruk heeft gewekt dat hij instemde met deze nieuwvestiging in het buitengebied, overweegt de Afdeling het volgende. Uit de aanvraag voor de verklaring van geen bezwaar blijkt niet dat het om de nieuwvestiging van een bedrijf in het buitengebied gaat, maar komt naar voren dat het planologisch gezien gaat om een uitbreiding in noordelijke richting van het bestaande bedrijf aan de [locatie]. Daarbij is uitdrukkelijk vermeld dat de op te richten loods en zogeheten wandelkappen aansluiten bij de bestaande bebouwing en bedrijfswoning en daarmee een ruimtelijk geconcentreerd geheel vormen. Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat deze aanvraag niet de vestiging van een nieuwe bedrijfsfunctie betrof. De door appellanten aangevoerde omstandigheden dat het bedrijf aan de [locatie] ten tijde van de aanvraag van de verklaring van geen bezwaar reeds was beëindigd, dat appellanten sub 2 de naastliggende gronden zelfstandig hebben aangekocht en dat de aanvraag voor de verklaring van geen bezwaar ook op hun naam stond, kunnen niet leiden tot een ander oordeel. Deze omstandigheden leiden immers niet tot de conclusie dat ter plaatse in planologische zin een nieuwe bedrijfsfunctie werd gevestigd, maar geven aanknopingspunten voor de conclusie dat het bestaande bedrijf in privaatrechtelijke zin in een nieuw bedrijf was opgegaan. Dit laatste is in planologische zin evenwel niet relevant.

   Ook in de door appellanten aangevoerde omstandigheden dat het bedrijfsmatig noodzakelijk is bij de kwekerij te kunnen wonen en dat sloop van de kassen tot een verbetering van de ruimtelijke situatie zou leiden, heeft verweerder geen aanleiding behoeven te zien om ten behoeve van de goedkeuring van dit plan om herziening van het streekplan te verzoeken. Verweerder heeft er in dat verband terecht op gewezen dat van de bedrijfsfunctie reeds een bedrijfswoning deel uitmaakt, dat de oppervlakte te slopen kassen 500 m² bedraagt en dat daarmee wordt voldaan aan de minimum oppervlakte van 4500 m² die op grond van het zogeheten rood-voor-rood-beleid dient te worden gesloopt om voor de bouw van een extra woning in aanmerking te komen.

2.5.2.    In hetgeen appellanten hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in geding zijnde plandelen in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daarin bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Rop

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2007

417-545.