Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB2464

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-08-2007
Datum publicatie
29-08-2007
Zaaknummer
200700514/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 april 2005 heeft appellant (hierna: het college) op grond van artikel 68, eerste lid, aanhef en onder a, van de Flora- en faunawet een ontheffing onder voorwaarden verleend voor het doden van wilde eenden ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen op percelen in het werkgebied van de Faunabeheereenheid Fryslân.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2007/192
JOM 2007/566
AB 2008, 129
ABkort 2007/459

Uitspraak

200700514/1.

Datum uitspraak: 29 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 06/2317 en 06/2318 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden van 17 november 2006 in het geding tussen:

de stichting "Stichting de Faunabescherming",

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2005 heeft appellant (hierna: het college) op grond van artikel 68, eerste lid, aanhef en onder a, van de Flora- en faunawet een ontheffing onder voorwaarden verleend voor het doden van wilde eenden ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen op percelen in het werkgebied van de Faunabeheereenheid Fryslân.  

Bij besluit van 21 juli 2005 heeft het college het door de stichting "Stichting de Faunabescherming"(hierna: de stichting) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 juni 2006 heeft de rechtbank Leeuwarden, voor zover thans van belang, het daartegen door de stichting ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.

Bij besluit van 10 oktober 2006 heeft het college het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 november 2006, verzonden op 8 december 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 16 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 18 januari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. W.H.L. Oostra en S. Marra, ambtenaren van de provincie, en de stichting, vertegenwoordigd door A.P. de Jong, gemachtigde, zijn verschenen. Voorts is daar de Faunabeheereenheid Fryslân, vertegenwoordigd door B. Schmidt, gemachtigde, gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het college betoogt, kort weergegeven, dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat bij het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar rekening is gehouden met het oordeel van de Afdeling, zoals neergelegd in de uitspraken van 19 juli 2006 in twee zaken met de nrs. 200510316/1 en 200600277/1, waarin eveneens de toepassing van artikel 68, eerste lid, van de Flora- en faunawet door het college aan de orde was.

2.2.    Dit betoog faalt. Het college heeft berust in de uitspraak van de rechtbank van 1 juni 2006 en diende derhalve het nieuwe besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak door de rechtbank is overwogen. De voorzieningenrechter is er in de thans aangevallen uitspraak dan ook terecht van uitgegaan dat het niet instellen van hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 juni 2006 tot gevolg heeft dat deze uitspraak voor het college bindend was en dat het college de daarin uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven rechtsoordelen onverkort diende te volgen bij het nemen van zijn nieuwe besluit op bezwaar. Dat de Afdeling in twee uitspraken van 19 juli 2006 naar het oordeel van het college blijk gaf van andere inzichten dan die welke aan de uitspraak van de rechtbank van 1 juni 2006 ten grondslag liggen, kan, wat daar ook van zij, aan het voorgaande niet afdoen.

   De Afdeling is voorts van oordeel dat de voorzieningenrechter in de thans aangevallen uitspraak terecht en op goede gronden heeft overwogen dat het college bij het nieuw genomen besluit op bezwaar de eerder gegeven rechtsoordelen onvoldoende heeft geëerbiedigd en de in de eerdere uitspraak geconstateerde gebreken onvoldoende heeft hersteld. De Afdeling maakt deze overwegingen dan ook tot de hare.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Scheerhout, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Scheerhout

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2007

318