Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB2452

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2007
Datum publicatie
29-08-2007
Zaaknummer
200704992/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / handelingen door IOM zijn geen uitzettingshandelingen

Nu de inbewaringstelling van een vreemdeling ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000 slechts is geoorloofd met het oog op de uitzetting, is die maatregel onrechtmatig indien de staatssecretaris na inbewaringstelling van een vreemdeling geen uitzettingshandelingen verricht, dan wel bij de uitzetting onvoldoende voortvarendheid betracht. De rechtbank heeft de handelingen die door de IOM zijn verricht terecht niet als uitzettingshandelingen van de staatssecretaris aangemerkt, omdat de IOM het zelfstandig vertrek van de vreemdeling begeleidt en deze activiteiten niet zijn gericht op uitzetting, dat wil zeggen een verwijdering met de sterke arm uit Nederland. Hetgeen in de Vc 2000, als hiervoor weergegeven, is vermeld en het betoog van de staatssecretaris dat de bewaring de vreemdeling niet ontslaat van de verplichting al het mogelijke te doen om vrijwillig al dan niet met hulp van de IOM te kunnen vertrekken, kunnen hieraan niet afdoen. Dat laatste is niet in geschil. Niet in geschil is dat de staatssecretaris in het onderhavige geval met ingang van 5 juli 2007 geen uitzettingshandelingen meer heeft verricht. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris met ingang van 5 juli 2007 onvoldoende voortvarendheid heeft betracht met de verwijdering van de vreemdeling en dat de aan de vreemdeling opgelegde maatregel van bewaring daarom vanaf die datum onrechtmatig is.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/452

Uitspraak

200704992/1.

Datum uitspraak: 22 augustus 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 07/25943 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 10 juli 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2007 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 juli 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, bevolen dat de maatregel per 10 juli 2007 wordt opgeheven en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 17 juli 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 25 juli 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Bij brief van 1 augustus 2007 heeft de Afdeling de staatssecretaris gevraagd om een nadere toelichting. De staatssecretaris heeft hierop bij brief van

6 augustus 2007 een nader stuk ingediend. De vreemdeling heeft hierop in een brief van 9 augustus 2007 gereageerd.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Het betoog van de vreemdeling, dat het hoger beroep onbevoegd ingesteld en daarom niet ontvankelijk is, faalt.

In artikel 3, gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, van en de bijlage bij de Algemene ondermandaatregeling van het hoofd Immigratie- en Naturalisatiedienst 2005 (Stcrt. 2005, nr. 136, p. 9), als in werking getreden op 20 juli 2005, heeft het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, voor zover thans van belang, de senior procesvertegenwoordiger gemachtigd tot het aanwenden van rechtsmiddelen.

Nu de indiener van het hoger-beroepschrift senior procesvertegenwoordiger is, is het hoger beroep door een daartoe bevoegde persoon ingesteld.

2.2. In grief 2 klaagt de staatssecretaris, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bewaring van de vreemdeling met ingang van 5 juli 2007 onrechtmatig is, omdat de staatssecretaris vanaf dat moment geen uitzettingshandelingen heeft verricht en derhalve niet meer voortvarend te werk is gegaan. De staatssecretaris betoogt dat hij de door hem gestarte maatregelen in lijn met paragraaf A4/5.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) op 5 juli 2007 heeft opgeschort, omdat de vreemdeling de Internationale Organisatie voor Migratie (hierna: de IOM) om ondersteuning had verzocht. Vanaf dat moment heeft de IOM voldoende voortvarend aan de uitzetting gewerkt, aldus de staatssecretaris.

2.2.1. In zijn brief van 6 augustus 2007 heeft de staatssecretaris, naar aanleiding van daartoe strekkende vragen van de Afdeling, toegelicht dat hij met ingang van 5 juli 2007 niet meer gehouden was tot het verrichten van uitzettingshandelingen, nu de vreemdeling vanaf dat moment met behulp van de IOM aan zijn uitreis werkte. Door contacten met de IOM (op 5 juli 2007) en het plannen van een voortgangsgehoor met de vreemdeling bleef de staatssecretaris op de hoogte van de activiteiten van de vreemdeling. De staatssecretaris betoogt dat de enkele omstandigheid dat de vreemdeling zijn vrijheid is ontnomen, niet betekent dat een voor de vreemdeling gunstiger manier van uitreis niet meer mogelijk zou zijn.

2.2.2. Ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, kan een vreemdeling met het oog op de uitzetting in bewaring worden gesteld indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert.

Volgens paragraaf A4/5 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, bemiddelt de IOM bij het zelfstandig vertrek of de hervestiging van vreemdelingen die Nederland willen verlaten. De vreemdeling vertrekt vanaf de luchthaven, waar hij zijn ticket en eventueel een eenmalige financiële ondersteuning krijgt uitgereikt na toestemming voor intrekking van eventuele procedures ter verkrijging van een verblijfstitel, dan wel de verblijfsvergunning. De uitreisformaliteiten op de luchthaven worden afgehandeld door de IOM. Indien de vreemdeling vanuit vreemdelingenbewaring vertrekt, wordt de vreemdeling door de Koninklijke Marechaussee (hierna: de KMar) overgedragen aan de IOM. Voor overgave aan de IOM heft de ambtenaar belast met de grensbewaking de vreemdelingenbewaring op. In die gevallen ontvangt de KMar schriftelijk bericht van de IOM dat de vreemdeling daadwerkelijk is vertrokken.

2.2.3. Nu de inbewaringstelling van een vreemdeling ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000 slechts is geoorloofd met het oog op de uitzetting, is die maatregel onrechtmatig indien de staatssecretaris na inbewaringstelling van een vreemdeling geen uitzettingshandelingen verricht, dan wel bij de uitzetting onvoldoende voortvarendheid betracht.

De rechtbank heeft de handelingen die door de IOM zijn verricht terecht niet als uitzettingshandelingen van de staatssecretaris aangemerkt, omdat de IOM het zelfstandig vertrek van de vreemdeling begeleidt en deze activiteiten niet zijn gericht op uitzetting, dat wil zeggen een verwijdering met de sterke arm uit Nederland. Hetgeen in de Vc 2000, als hiervoor weergegeven, is vermeld en het betoog van de staatssecretaris dat de bewaring de vreemdeling niet ontslaat van de verplichting al het mogelijke te doen om vrijwillig al dan niet met hulp van de IOM te kunnen vertrekken, kunnen hieraan niet afdoen. Dat laatste is niet in geschil.

Niet in geschil is dat de staatssecretaris in het onderhavige geval met ingang van 5 juli 2007 geen uitzettingshandelingen meer heeft verricht. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris met ingang van 5 juli 2007 onvoldoende voortvarendheid heeft betracht met de verwijdering van de vreemdeling en dat de aan de vreemdeling opgelegde maatregel van bewaring daarom vanaf die datum onrechtmatig is.

Grief 2 faalt.

2.3. Hetgeen voor het overige is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de Staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 483,00 (zegge: vierhonderddrieëntachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens

Voorzitter

w.g. Hazen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2007

480.

Verzonden: 22 augustus 2007

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak