Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB2169

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2007
Datum publicatie
22-08-2007
Zaaknummer
200700579/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 december 2006 heeft verweerder ingestemd met de door projectorganisatie Rijkswaterstaat Maaswerken gemelde wijzigingen van het saneringsplan dat samenhangt met de realisatie van kaden cluster 1, 2 en 3 in de gemeenten Roermond, Venlo, Gennep, Mook en Middelaar en de realisatie van het retentiebekken Lateraalkanaal West in de gemeenten Heel en Haelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200700579/1.

Datum uitspraak: 22 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Sleydal B.V.", gevestigd te Weert,

appellante,

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2006 heeft verweerder ingestemd met de door projectorganisatie Rijkswaterstaat Maaswerken gemelde wijzigingen van het saneringsplan dat samenhangt met de realisatie van kaden cluster 1, 2 en 3 in de gemeenten Roermond, Venlo, Gennep, Mook en Middelaar en de realisatie van het retentiebekken Lateraalkanaal West in de gemeenten Heel en Haelen.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 19 januari 2007, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op diezelfde dag, beroep ingesteld.

De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 februari 2007.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juli 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. H.J.J.M. van der Bruggen, advocaat te Roermond, en verweerder, vertegenwoordigd door J.D.M. Nouwen, M.C. van den Brink en A. Mohnen, ambtenaren van het ministerie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord projectorganisatie Rijkswaterstaat Maaswerken, vertegenwoordigd door M.C.A. Henfling.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming, voor zover hier van belang, meldt degene die de bodem saneert, wijzigingen van het saneringsplan, waarmee door de Minister van Verkeer en Waterstaat is ingestemd, uiterlijk twee weken voorafgaand aan de uitvoering daarvan aan de Minister van Verkeer en Waterstaat. Ingevolge het vijfde lid van dit artikel kan de Minister van Verkeer en Waterstaat naar aanleiding van de melding, bedoeld in het vierde lid, aanwijzigen geven omtrent de verdere uitvoering van de sanering, die een wijziging inhouden van onderdelen van het saneringsplan waarmee reeds is ingestemd.

2.2.    Bij een eerder besluit van 17 januari 2005 heeft verweerder ingestemd met het saneringsplan dat samenhangt met de realisatie van kaden cluster 1, 2 en 3 in de gemeenten Roermond, Venlo, Gennep, Mook en Middelaar en de realisatie van het retentiebekken Lateraalkanaal West in de gemeenten Heel en Haelen. De gemelde wijzigingen van onderdelen van dit saneringsplan, waarmee verweerder bij het bestreden besluit heeft ingestemd, hebben betrekking op verandering van de exacte plaats waar saneringshandelingen worden verricht. Deze verandering hangt samen met wijziging van de geplande ligging van kaden bij het retentiebekken Lateraalkanaal West in de gemeente Heel. De saneringhandelingen op zich, bestaande uit het ontgraven van de fundering nabij de tenen van de kaden en de toplaag daar waar kaden komen, veranderen niet. Bij het bestreden besluit heeft verweerder ingestemd met de gemelde wijzigingen van onderdelen van het saneringsplan waarmee hij bij besluit van 17 januari 2005 reeds heeft ingestemd en daarbij aanwijzingen gegeven betreffende onder meer melding van de aanvang en beëindiging van de werkzaamheden en van calamiteiten.

2.3.    Appellante betoogt dat verweerder ten onrechte heeft ingestemd met de gemelde wijziging van het saneringsplan. Zij voert aan - samengevat weergegeven - dat ten onrechte wordt toegestaan dat de niet verontreinigde bodem van het gebied "Sleydal", waarvan een gedeelte haar eigendom is, wordt blootgesteld aan de ernstige vervuiling die een overstroming van de Maas met zich zal brengen en dat aldus ter plaatse een ernstige verontreiniging wordt veroorzaakt. Volgens appellante had verweerder ten minste moeten voorschrijven dat ter plaatse ter voorkoming van deze verontreiniging een deugdelijk kleischerm wordt aangelegd.

2.4.    Niet in geschil is dat als gevolg van de wijziging van de ligging van de kaden bij het retentiebekken het gebied "Sleydal" bij hoge afvoeren van de Maas onder water kan komen te staan en dat dit mogelijk verontreiniging van de bodem van dat gebied tot gevolg kan hebben.

   De Afdeling stelt vast dat over de (gewijzigde) ligging van de kaden bij het retentiebekken is besloten bij de door provinciale staten van Limburg bij besluit van 19 november 2004 vastgestelde partiële herziening van het "Provinciaal Omgevingsplan Limburg, aanvulling Zandmaas. De ligging van de desbetreffende kaden op zich, alsmede de omstandigheid dat daaruit mogelijk verontreiniging van de bodem van het gebied "Sleydal" voorvloeit, is in dat kader afgewogen en kan in de onderhavige procedure niet aan de orde komen. Verder overweegt de Afdeling dat, nu het bestreden besluit slechts ziet op de saneringshandelingen ten behoeve van de kaden, ook de vraag of in het gebied "Sleydal" maatregelen ter voorkoming van de vorenbedoelde verontreiniging moeten worden genomen, in deze procedure niet aan de orde kan komen. Het beroep kan niet slagen.

2.5.    Het beroep is ongegrond.

2.6.    Appellantes verzoek om verweerder met toepassing van artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de door haar beweerdelijk geleden schade als gevolg van het bestreden besluit, komt, nu het beroep niet gegrond is, niet voor inwilliging in aanmerking.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W. Sorgdrager, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Timmerman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2007

431.