Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB2154

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2007
Datum publicatie
22-08-2007
Zaaknummer
200700646/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk (hierna: het college) geweigerd vrijstelling te verlenen voor woningsplitsing van de monumentale boerderij (hierna: de woning) aan de [locatie] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/581

Uitspraak

200700646/1.

Datum uitspraak: 22 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 06/3008 van de rechtbank Breda van 13 december 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk (hierna: het college) geweigerd vrijstelling te verlenen voor woningsplitsing van de monumentale boerderij (hierna: de woning) aan de [locatie] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 18 april 2006, verzonden op 20 april 2006 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en wederom geweigerd vrijstelling te verlenen.

Bij uitspraak van 13 december 2006, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 februari 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 april 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juli 2007, waar appellant vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, juridisch adviseur te Baarle Nassau, en het college vertegenwoordigd door drs. M.F.H.T. Hordijk, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Oisterwijk, deel Oisterwijk" (hierna: het bestemmingsplan) heeft het perceel de bestemming "Wonen", met op de plankaart de aanduiding "W1".

   Ingevolge artikel 16.2.2, aanhef en onder a, van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften (hierna: de planvoorschriften), voor zover hier van belang, mag het aantal woningen niet meer bedragen dan op de plankaart door middel van een aanduiding is aangegeven.

   Ingevolge artikel 16.4.2, aanhef en onder d, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen ten behoeve van splitsing van een woning, met in achtneming van het voorschrift dat in redelijkheid geen vrees mag bestaan voor het ontstaan van ernstige hinder over en weer, c.q. een onvoldoende goed woonklimaat, gelet op de ligging van de woning ten opzichte van de in de omgeving aanwezige bebouwing en bestemmingen, waarbij met name rekening gehouden dient te worden met de afstanden zoals die voorvloeien uit de "Richtlijn Veehouderij en stankhinder 1996".

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat vanwege de afstand van de woning tot het agrarisch bedrijf aan de [locatie]  een goed woonklimaat onvoldoende is gewaarborgd. Appellant stelt daartoe dat in 1995 en in 1999 ten behoeve van het agrarisch bedrijf een vergunning op grond van de Wet milieubeheer is verleend, ondanks het feit dat niet werd voldaan aan de minimale afstand van het agrarisch bedrijf tot de woning. Ten onrechte neemt het college thans een ander standpunt in, terwijl de situatie volgens appellant feitelijk niet is gewijzigd.

2.3.    Dit betoog faalt. De woning is gelegen binnen de stankcirkel van 50 m als bedoeld in de Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996, naar welke richtlijn in de planvoorschriften wordt verwezen. Overigens zou ook bij toetsing aan de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelingsgebieden de woning zijn gelegen binnen de stankcirkels volgens deze wet.

   Ten tijde van de verlening van de milieuvergunning op 1 juli 1999 was op grond van het bestemmingsplan één woning op het perceel toegestaan. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld vormt het feit dat een milieuvergunning is verleend, rekening houdende met het bestaan van een woning binnen de stankcirkel, geen rechtvaardiging om toe te staan dat het aantal woningen binnen de stankcirkel door splitsing van de bestaande woning toeneemt. Dat de woning destijds feitelijk reeds in twee woningen was gesplitst zoals appellant betoogt, maakt dit niet anders, aangezien deze woningsplitsing heeft plaatsgevonden in afwijking van de verleende bouwvergunning om de woning voor inwoning geschikt te maken. De vraag of het college bij de verlening van de milieuvergunning aan het agrarisch bedrijf op de hoogte was van deze illegale woningsplitsing is in dit verband niet van belang. De rechtbank is dan ook tot het juiste oordeel gekomen dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen gebruik te maken van de in artikel 16.4.2 van de planvoorschriften neergelegde vrijstellingsbevoegdheid.  

2.4.    Appellant vraagt om in deze procedure het verzoek om vrijstelling te toetsen aan de op 1 januari 2007 in werking getreden wet geurhinder. Daartoe bestaat geen aanleiding. Getoetst dient te worden aan het recht zoals dit gold ten tijde van de beslissing op bezwaar van 18 april 2006.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Oudenaller

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2007

328-544.