Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB2150

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2007
Datum publicatie
22-08-2007
Zaaknummer
200700565/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 november 2006, nummer RE2004.106247, heeft verweerder geweigerd de bij besluit van 11 augustus 1982, nr. 79-979/3-LL525, verleende vergunning voor ontgrondingswerkzaamheden binnen de zandwinlocatie Ravenswaarden in de gemeente Lochem te wijzigen.

Wetsverwijzingen
Ontgrondingenwet
Ontgrondingenwet 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2008/12 met annotatie van De Vries

Uitspraak

200700565/1.

Datum uitspraak: 22 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Basal Toeslagstoffen B.V.", gevestigd te Nieuwegein,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2006, nummer RE2004.106247, heeft verweerder geweigerd de bij besluit van 11 augustus 1982, nr. 79-979/3-LL525, verleende vergunning voor ontgrondingswerkzaamheden binnen de zandwinlocatie Ravenswaarden in de gemeente Lochem te wijzigen.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 19 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 22 januari 2007, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 februari 2007.

Bij brief van 5 april 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 4 juni 2007 is een schriftelijke uiteenzetting omtrent het beroep ontvangen van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-generaal Rijkswaterstaat, Directie Oost-Nederland (hierna: Rijkswaterstaat), die als partij tot het geding is toegelaten. Deze is aan de andere partijen toegezonden.

Bij brief van 18 juli 2007 heeft appellante een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2007, waar verweerder, vertegenwoordigd door G. van der Werff, ambtenaar van de provincie, is verschenen. Voorts is daar gehoord Rijkswaterstaat, vertegenwoordigd door G. Slendebroek en bijgestaan door

J.J.H.M. Mannaerts. Appellante is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 11 augustus 1982 heeft verweerder op grond van de Ontgrondingenwet vergunning verleend voor ontgrondingswerkzaamheden binnen de zandwinlocatie Ravenswaarden in de gemeente Lochem.

   Ingevolge artikel 7 van de voorschriften, behorende bij die vergunning, dient de toegangsgeul na de voltooiing en afwerking van de ontgronding te worden afgesloten.

2.2.    Appellante heeft bij brief van 15 oktober 2002, aangevuld bij brief van 21 april 2004, verzocht de vergunning zodanig te wijzigen dat de toegangsgeul definitief kan worden opengehouden.

   Verweerder heeft dit geweigerd. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de ontgrondingswerkzaamheden in 2002 zijn beëindigd zodat geen ontgrondingenbelang meer aanwezig is. Ten aanzien van de rivierkundige belangen heeft verweerder gewezen op het standpunt van Rijkswaterstaat. In zijn advies van 18 november 2004 aan verweerder stelt Rijkswaterstaat dat de toegangsgeul naar de ontgronding zich bevindt in een binnenbocht van de IJssel en dat uit recente analyses blijkt dat toegangsgeulen naar ontgrondingen locaties zijn waar aanzandingen optreden en ondieptes kunnen voorkomen en dat de kans dat dit optreedt in binnenbochten groter is. Deze ondieptes kunnen zich vooral in de toch al smalle IJssel uitbreiden tot de vaargeul en nautische problemen veroorzaken. Gelet hierop bestaan volgens Rijkswaterstaat vanuit rivierkundig oogpunt ernstige bezwaren tegen het openhouden van de toegangsgeul. Daarnaast stelt verweerder dat appellante onvoldoende heeft aangegeven welk belang zij heeft bij het openhouden van de invaart nu zij geen concrete plannen heeft aangedragen voor toekomstig gebruik van de zandwinplas.

2.3.    Appellante stelt dat verweerder de aanvraag tot wijziging van de vergunning ten onrechte heeft afgewezen. Zij betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende en gebrekkig is gemotiveerd nu de stukken waarop het besluit is gebaseerd ontbreken of dateren van na het ontwerpbesluit zodat zij daarvoor niet de basis kunnen vormen. Hiertoe wijst zij op een stuk dat door verweerder is aangemerkt als een onderzoeksrapport van 29 augustus 2003, maar deze dagtekening ontbeert en eerst in de zomer van 2006 aan haar is toegezonden.

2.3.1.    De Afdeling volgt appellante niet in haar stelling dat het rapport "Projectnota vaarwegverruiming Boven-IJssel ON-1597" niet dateert van 29 augustus 2003. Gelet op de dagtekening van het exemplaar van het rapport in het dossier, mist deze beroepsgrond feitelijke grondslag.

Het rapport is in opdracht van het Directoraat-generaal Rijkswaterstaat, Directie Oost-Nederland, door het Waterloopkundig Laboratorium opgesteld en omvat een inventarisatie van nautische knelpunten in de Boven-IJssel van de IJsselkop tot aan het Twentekanaal bij Zutphen. De omstandigheid dat appellante dit rapport eerst in de zomer van 2006 heeft ontvangen, behoefde voor verweerder geen aanleiding te zijn om zijn besluit niet mede op dit aan het advies van Rijkswaterstaat van 18 november 2004 ten grondslag liggende rapport te baseren. Ook overigens ziet de Afdeling in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder dit rapport en het advies van Rijkswaterstaat niet aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Verweerder heeft dan ook belang kunnen hechten aan het standpunt van Rijkswaterstaat dat vanuit rivierkundig oogpunt ernstige bezwaren bestaan tegen het openhouden van de toegangsgeul. Hierbij neemt de Afdeling verder in aanmerking dat de vertegenwoordiger van Rijkswaterstaat ter zitting aan de hand van een luchtfoto heeft toegelicht dat de invaart van onderhavige zandwinlocatie door erosie inmiddels twee keer zo breed is als is toegestaan.

2.4.    In de belangenafweging heeft verweerder voorts kunnen laten meewegen dat de ontgrondingswerkzaamheden reeds in 2002 zijn afgerond zodat geen sprake meer is van een ontgrondingenbelang. Anders dan appellante betoogt, bestaat er geen grond voor het oordeel dat haar belangen onvoldoende zijn meegewogen, te meer daar appellante heeft nagelaten concreet aan te geven wat haar belangen zijn bij het openhouden van de invaart. Voor zover appellante in dit kader heeft verwezen naar het beroepschrift van Grondbereik Oost-Gelderland B.V., stelt de Afdeling vast dat het beroep van Grondbereik Oost-Gelderland B.V. bij uitspraak van 15 maart 2007 in zaak no. 200700565/2 niet-ontvankelijk is verklaard en in deze procedure niet meer ter beoordeling staat. Voor zover appellante heeft aangegeven dat zij de invaart open wil houden om een overnachtingsplaats voor pleziervaart te kunnen creëren, heeft verweerder erop gewezen dat de gemeenteraad recreatief gebruik van de zandwinplas ongewenst acht en niet voornemens is dat mogelijk te maken.

2.5.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder na afweging van alle betrokken belangen geen doorslaggevend gewicht heeft mogen toekennen aan de belangen die zich verzetten tegen openhouden van de toegangsgeul naar de zandwinplas en aldus het verzoek van appellante tot wijziging van de vergunning niet in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is mitsdien ongegrond.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto    w.g. Troost

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2007

204-472.