Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB2147

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-08-2007
Datum publicatie
22-08-2007
Zaaknummer
200609113/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 februari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grootegast (hierna: het college) aan Vodafone Libertel N.V. (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling en een lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een GSM-zendmast op het perceel kadastraal bekend gemeente Oldekerk, sectie D, nummer 1922, plaatselijk bekend het voorterrein van het perceel Smidshornerweg 51 te Niekerk (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 40
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/587

Uitspraak

200609113/1.

Datum uitspraak: 22 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 06/1453 en 06/1281 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 8 november 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Grootegast.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grootegast (hierna: het college) aan Vodafone Libertel N.V. (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling en een lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een GSM-zendmast op het perceel kadastraal bekend gemeente Oldekerk, sectie D, nummer 1922, plaatselijk bekend het voorterrein van het perceel Smidshornerweg 51 te Niekerk (hierna: het perceel).

Bij besluit van 24 juli 2006 heeft het college de onder meer door appellanten daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 november 2006, verzonden op 9 november 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 17 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 januari 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 maart 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 5 maart 2007 heeft vergunninghoudster die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 juli 2007, waar appellanten in persoon en bijgestaan door mr. M.T. Hoen, en het college, vertegenwoordigd door K.B. Dijkstra, burgemeester, en H. Snitjer, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster verschenen, vertegenwoordigd door mr. C.A.H.M. Brouwers en C. Bozkurt, deskundige.

2.    Overwegingen

2.1.    Vast staat dat het bouwplan in strijd is met de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Partiële herziening t.b.v. sportterrein" op het perceel rustende bestemming "Recreatieterrein".

2.2.    Om bouwvergunning voor het bouwplan te kunnen verlenen heeft het college krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985), vrijstelling verleend.

2.3.    Niet in geschil is dat het bouwplan op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bro 1985 in aanmerking komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO.

2.4.    Appellanten betogen dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in de door appellanten geuite vrees voor gezondheidsrisico's als gevolg van radiogolven geen aanleiding heeft hoeven vinden om de gevraagde vrijstelling te weigeren. Appellanten voeren in dit verband aan dat zij de adviezen die het college aan de beslissing op bezwaar ten grondslag heeft gelegd, te weten het advies van de Gezondheidsraad "TNO-onderzoek naar de effecten van GSM- en UMTS-signalen op welbevinden en cognitie" van 28 juni 2004, het Jaarbericht 2005 "Elektromagnetische velden" van de Gezondheidsraad van 23 november 2005 en het advies van de Hulpverleningsdienst Groningen van 17 mei 2005, gemotiveerd hebben bestreden en daarbij bovendien hebben gewezen op enkele contra-expertises.

2.4.1.    Dit betoog slaagt niet. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat het college in de door appellanten geuite vrees voor gezondheidsrisico's door straling bij langdurig verblijf in nabijheid van de GSM-mast geen aanleiding heeft hoeven vinden om de gevraagde vrijstelling te weigeren. Daarbij heeft de voorzieningenrechter terecht van belang geacht dat het college zich ten aanzien van mogelijke gezondheidsrisico's als gevolg van verwezenlijking van het bouwplan onder meer heeft gebaseerd op het Jaarbericht 2005 "Elektromagnetische velden" van de Gezondheidsraad van 23 november 2005 en op het advies van de Gezondheidsraad van 28 juni 2004, dat is opgesteld naar aanleiding van het onderzoek van TNO van september 2003 naar de effecten van onder meer GSM-signalen op het welbevinden en op de cognitie. Uit voornoemde adviezen is af te leiden dat op basis van het TNO-onderzoek niet kan worden vastgesteld of er een oorzakelijk verband bestaat tussen blootstelling aan elektromagnetische velden enerzijds en vermindering van het welbevinden of schade aan de gezondheid anderzijds. Zolang dit verband niet op enigerlei wijze aannemelijk is, mag het college aan de geuite vrees voor gezondheidsrisico's voorbij gaan. Vast staat dat de Gezondheidsraad een ter zake deskundige instantie is. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de adviezen van de Gezondheidsraad op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. De door appellanten ter onderbouwing van hun standpunt overgelegde rapporten leiden niet tot dat oordeel, nu deze, zoals in het overgenomen advies van de Commissie Bezwaar- en beroepschriften door het college is overwogen, voor een deel zijn behandeld in het rapport van de Gezondheidsraad en ook overigens niet is onderbouwd waarom deze rapporten tot twijfel zouden leiden aan de bevindingen van de Gezondheidsraad. De voorzieningenrechter is derhalve terecht tot de conclusie gekomen dat het college de adviezen aan de beslissing op bezwaar ten grondslag heeft mogen leggen.

2.5.    Appellanten betogen verder dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat bij de verwezenlijking van alternatieven geen sprake is van een gelijkwaardig resultaat.

2.5.1.    Dit betoog slaagt evenmin. Het college dient te beslissen omtrent het verlenen van vrijstelling voor het project, zoals daarvoor vrijstelling is aangevraagd. Indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zich hier een zodanige situatie voordoet. Er is derhalve geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college, gelet op de door appellanten voorgestelde alternatieve locaties, en na afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het verlenen van vrijstelling van het bestemmingplan ten behoeve van het bouwplan.

2.6.    Appellanten betogen tenslotte dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij is afgeweken van zijn zogenoemde 'één-mast beleid'.

2.6.1.    Zoals ter zitting door het college is verklaard, hanteert het college het beleid dat providers van het mobiele netwerk hun antennes zoveel mogelijk op één locatie in de gemeente dienen te concentreren. Van een afwijking van dit beleid is in dit geval geen sprake. Weliswaar is in Niekerk reeds een zendmast aanwezig op de voedersilo aan de Zuiderweg, maar bijplaatsing van de zendapparatuur van vergunninghoudster op die mast was in dit geval niet mogelijk. Voorts is van belang dat, zoals het college ter zitting heeft bevestigd, eventuele toekomstige providers die gebruik willen maken van een zendmast in de gemeente, gebonden zijn gebruik te maken van de door vergunninghoudster op te richten zendmast. Het betoog van appellanten slaagt derhalve niet.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2007

218-494.