Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB2117

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2007
Datum publicatie
22-08-2007
Zaaknummer
200701897/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoorplicht / geen termijn gesteld voor aanvullende gronden van bezwaar

Het is aan de vreemdeling om al datgene wat hij van belang acht voor zijn aanvraag naar voren te brengen. Dit wordt niet anders wanneer de minister aan de gemachtigde van de vreemdeling geen termijn stelt voor het indienen van (meer) aanvullende gronden van bezwaar. De vreemdeling heeft niet gereageerd op het desgevraagd aan hem toegezonden complete dossier en ook overigens in bezwaar geen nieuwe gezichtspunten naar voren gebracht. De minister heeft mogen oordelen dat uit de inhoud van het bezwaarschrift en de aanvullingen daarop, beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door de vreemdeling is aangevoerd en met de motivering van het primaire besluit, reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de vreemdeling ongegrond zijn, terwijl er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie.

De rechtbank heeft dit niet onderkend en derhalve ten onrechte overwogen dat de minister door de vreemdeling niet te horen in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb heeft gehandeld. De grief slaagt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/447

Uitspraak

200701897/1.

Datum uitspraak: 15 augustus 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Minister van Buitenlandse Zaken,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/40107 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 14 februari 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2005 heeft appellant (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 4 augustus 2006 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 februari 2007, verzonden op 15 februari 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 15 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 maart 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De minister klaagt dat de rechtbank, door te overwegen dat aan de vreemdeling, door middel van een hoorzitting, de gelegenheid geboden had moeten worden om nieuwe feiten en omstandigheden aan te voeren en toe te lichten, omdat de minister bij de toezending van het complete dossier aan de gemachtigde van de vreemdeling hem daarbij geen termijn heeft gesteld voor het indienen van (meer) aanvullende gronden van bezwaar, heeft miskend dat het door appellant gemaakte bezwaar, gegeven de inhoud en de strekking daarvan, kennelijk ongegrond was.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 oktober 2003 in zaak no. 200305039/1, JV 2003/562), vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure en kan daarvan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) worden afgezien, indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

2.2.2. Het is aan de vreemdeling om al datgene wat hij van belang acht voor zijn aanvraag naar voren te brengen. Dit wordt niet anders wanneer de minister aan de gemachtigde van de vreemdeling geen termijn stelt voor het indienen van (meer) aanvullende gronden van bezwaar. De vreemdeling heeft niet gereageerd op het desgevraagd aan hem toegezonden complete dossier en ook overigens in bezwaar geen nieuwe gezichtspunten naar voren gebracht. De minister heeft mogen oordelen dat uit de inhoud van het bezwaarschrift en de aanvullingen daarop, beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door de vreemdeling is aangevoerd en met de motivering van het primaire besluit, reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de vreemdeling ongegrond zijn, terwijl er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie.

De rechtbank heeft dit niet onderkend en derhalve ten onrechte overwogen dat de minister door de vreemdeling niet te horen in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb heeft gehandeld. De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 4 augustus 2006 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

In beroep is aangevoerd dat de minister ten onrechte niet tot de conclusie is gekomen dat Nederland het meest aangewezen land is voor het ondergaan van de noodzakelijke medische behandeling.

Ingevolge artikel 3.46, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de wet, onder een beperking, verband houdend met het ondergaan van medische behandeling, worden verleend, indien Nederland naar het oordeel van de minister het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling en de financiering van die medische behandeling naar het oordeel van de minister deugdelijk is geregeld.

Door de vreemdeling zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat medische behandeling noodzakelijk is.

De minister heeft zich daarom op goede gronden op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de in artikel 3.46, eerste lid, van het Vb 2000 gestelde voorwaarden. De Afdeling zal het door de vreemdeling tegen het besluit van 4 augustus 2006 ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 14 februari 2007 in zaak no. AWB 06/40107;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Voorzitter, mr. D. Roemers en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens

Voorzitter

w.g. Zwemstra

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2007

91-540.

Verzonden:15 augustus 2007

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak