Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB1774

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2007
Datum publicatie
15-08-2007
Zaaknummer
200609028/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 februari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wester-Koggenland, thans gemeente Koggenland (hierna: het college), een verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen het in afwijking van een bouwvergunning op het perceel [locatie] te [plaats] opgerichte atelier afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2007/206
Module Vastgoed en wonen 2007/344

Uitspraak

200609028/1.

Datum uitspraak: 15 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaken nos. 06/1120 en 05/1298 van de rechtbank Alkmaar van 6 november 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Wester-Koggenland, thans gemeente Koggenland.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wester-Koggenland, thans gemeente Koggenland (hierna: het college), een verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen het in afwijking van een bouwvergunning op het perceel [locatie] te [plaats] opgerichte atelier afgewezen.

Bij besluit van 28 april 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 1 november 2005 heeft het college aan [vergunninghouder]  vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het veranderen en vergroten van voormeld atelier.

Bij besluit van 10 maart 2006 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 november 2006, verzonden op 7 november 2006, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) de tegen voormelde besluiten van 28 april 2005 en 10 maart 2006 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 29 januari 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 maart 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellant. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juli 2007, waar appellant, bijgestaan door zijn [echtgenote], is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de aanvraag om bouwvergunning ten onrechte niet als een nieuwe bouwaanvraag voor het gehele atelier heeft aangemerkt, nu van de destijds verleende bouwvergunning geen gebruik is gemaakt.

2.1.1.    Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de op

9 juni 1998 ten behoeve van het oprichten van het atelier verleende bouwvergunning na de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2000 in zaak no. 199900589/1 in rechte onaantastbaar is. Die vergunning voorzag in het oprichten van een atelier met een omvang van 100 m2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het bouwplan, ten behoeve waarvan thans vergunning is verleend, slechts op het in afwijking van die bouwvergunning gebouwde ziet. De afwijking betreft een uitbreiding met ongeveer 8 m2 ten opzichte van het bouwplan ten behoeve waarvan op 9 juni 1998 vergunning is verleend.

2.2.    Appellant betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan een ingrijpende inbreuk op de planologische situatie behelst en voorts afwijkt van hetgeen in het streekplan en de OWO-visie, waarbij "OWO"staat voor: Opdam, Westerkoggenland en Opmeer, met betrekking tot het behoud van doorzichten in de lintbebouwing van Berkhout is vermeld.

2.2.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 oktober 2004 in zaak no. 200402668/1), behelst het project geen ingrijpende inbreuk op de bestaande planologische situatie. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat aan de aan de ruimtelijke onderbouwing te stellen eisen is voldaan. Zij heeft voorts de toetsing in die ruimtelijke onderbouwing van het verzoek om vrijstelling aan het streekplan en de OWO-visie terecht voldoende geoordeeld en, mede gelet op de situering van het bouwplan in het centrum van Berkhout, geen grond gezien voor het oordeel dat ten behoeve van het bouwplan ten aanzien van de aspecten doorzicht en lintbebouwing volgens het gevoerde beleid geen vrijstelling verleend mocht worden.

   Het betoog faalt.

2.3.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij het besluit van 1 november 2005 van de door gedeputeerde staten van Noord-Holland verleende verklaring van geen bezwaar geen gebruik had mogen maken.

2.3.1.    Ook dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat het college bij het verlenen van de vrijstelling gebruik mocht maken van de door gedeputeerde staten van Noord-Holland afgegeven verklaring van geen bezwaar. Zij heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat gedeputeerde staten bij het afgeven van die verklaring over de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan beschikten en aldus op de hoogte waren van de plaatselijke situatie en dat dit blijkt uit die verklaring. De rechtbank heeft voorts in het in beroep aangevoerde terecht evenmin grond gezien voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met de beleidslijnen voor zoekgebieden in paragraaf 5.4.1. van het streekplan, dan wel gedeputeerde staten voor de uitbreiding van het atelier ten onrechte niet het opstellen van een beeldkwaliteitplan hebben verlangd.

2.4.    De rechtbank heeft voorts in het in beroep aangevoerde terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college na afweging van de bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid geen vrijstelling heeft kunnen verlenen. Daartoe wordt overwogen dat de omvang van de inbreuk op het belang bij tegengaan van een verdere beperking van het uitzicht van appellanten mede verband houdt met de aard en omvang van het bouwplan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat die inbreuk niet zo groot is, dat daaraan in redelijkheid niet minder gewicht kon worden toegekend, dan aan het belang van [vergunninghouder] bij instandhouding van het atelier, zoals dat is opgericht.

2.5.    Appellant betoogt ook dat de rechtbank heeft miskend dat de bouwvergunning in strijd met de bouwverordening en het Bouwbesluit is verleend en dat het bouwplan niet aan redelijke eisen van welstand voldoet.

2.5.1.    De rechtbank heeft in hetgeen appellant bij haar heeft aangevoerd terecht op goede gronden geen grond gevonden voor het oordeel dat de bouwvergunning ten onrechte is verleend. Zij heeft met juistheid overwogen dat de voorschriften van stedenbouwkundige aard van de bouwverordening buiten toepassing blijven, voor zover deze niet overeenstemmen met hetgeen via de vrijstelling mogelijk wordt gemaakt en heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de belangen die voormelde voorschriften beogen te beschermen bij de verrichte belangenafweging zijn miskend. Zij heeft in het in beroep aangevoerde voorts terecht evenmin aanleiding gezien voor het oordeel dat het college geen doorslaggevende betekenis mocht toekennen aan het positieve welstandsadvies van de Stichting Welstandszorg West-Friesland. In hetgeen appellant heeft aangevoerd is geen grond te vinden voor het oordeel dat de rechtbank het bouwplan ten onrechte niet in strijd met het Bouwbesluit heeft geacht. Appellant heeft die strijd niet aannemelijk gemaakt.

2.6.    Appellant betoogt dat artikel 44a van de WRO het college ertoe noopte de bouwvergunning te weigeren. Deze beroepsgrond is voor het eerst in hoger beroep voorgedragen, zodat de rechtbank daaromtrent terecht geen oordeel heeft gegeven. Nu de aangevallen uitspraak het voorwerp van het hoger beroep is, kan daarin geen grond worden gevonden om die uitspraak te vernietigen.

2.7.    Appellant betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de bouwtekeningen bij de aanvraag niet waarheidsgetrouw zijn en dientengevolge niet wordt voldaan aan in de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (hierna: Biab) gestelde vereisten.

2.7.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 augustus 2004, zaak no. 200307139/1, AB 2005, 106), volgt uit het enkele feit dat niet is voldaan aan vereisten, gesteld bij het Biab, niet dat de bouwvergunning om die reden niet in stand kan blijven. Het is aan het bestuursorgaan om te beoordelen of voldoende gegevens en bescheiden zijn ingediend om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen. Voor het oordeel dat het college zich in dit geval niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het over voldoende gegevens en bescheiden beschikte om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen, heeft de rechtbank in het beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden. Zij heeft daarbij de aard en omvang van het bouwplan, alsmede de omstandigheid dat het bouwplan ten tijde van de aanvraag reeds was gerealiseerd, mede in aanmerking mogen nemen. Appellant heeft zijn stelling dat de bij de aanvraag overgelegde bouwtekeningen niet in overeenstemming zijn met de feitelijke situatie voorts, wat de betekenis daarvan ook moge zijn, niet aannemelijk gemaakt.

   Het betoog faalt.

2.8.    Appellant betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet alle op de zaken betrekking hebbende stukken, als bedoeld in artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), aan haar heeft toegezonden. Daarbij wijst appellant in het bijzonder op de bouwverordening en de gemeentelijke beleidsnotitie over aan- en bijgebouwen.

2.8.1.    Dat het college de bouwverordening en voormelde beleidsnotitie niet aan de rechtbank heeft toegezonden, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gegeven voor het oordeel dat het college in strijd heeft gehandeld met artikel 8:42 van de Awb, nu de bouwverordening op de juiste wijze bekend is gemaakt en uit de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2004 in zaak no. 200402668/1 volgt dat de door appellant aangehaalde gemeentelijke beleidsnotitie over aan- en bijgebouwen niet aan de in bezwaar gehandhaafde besluiten ten grondslag is gelegd en daarom geen op de zaken betrekking hebbend stuk is in evenbedoelde zin.

   Het betoog faalt.

2.9.    Appellant heeft in hoger beroep niet uitdrukkelijk gronden aangevoerd met betrekking tot het oordeel van de rechtbank dat het college het bezwaar tegen de weigering handhavend op te treden tegen het atelier terecht ongegrond heeft verklaard. Hetgeen hij in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt voorts niet tot het oordeel dat de uitspraak van de rechtbank op dit onderdeel niet in stand kan blijven.

2.10.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb    w.g. Willems

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2007

392-412