Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB1764

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2007
Datum publicatie
15-08-2007
Zaaknummer
200608223/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 oktober 2006 heeft verweerder aan appellant een nadere eis gesteld op grond van het Besluit glastuinbouw (hierna: het Besluit) voor het glastuinbouwbedrijf op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 6 oktober 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200608223/1.

Datum uitspraak: 15 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2006 heeft verweerder aan appellant een nadere eis gesteld op grond van het Besluit glastuinbouw (hierna: het Besluit) voor het glastuinbouwbedrijf op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 6 oktober 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 10 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2006, beroep ingesteld.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 3 mei 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juli 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. M. Pieck, en verweerder, vertegenwoordigd door H. Verhey en drs. M.M. Matthijsen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Door appellant zijn als deskundigen meegebracht ing. M.C.A. Vollebregt en D.C. Blokland, beiden werkzaam bij adviesbureau Aquaterranova.

Voorts is als partij gehoord [partij], in persoon en bijgestaan door mr. drs. B.J.P.M. Zwinkels, advocaat te Honselersdijk.

2.    Overwegingen

2.1.    De inrichting betreft een glastuinbouwbedrijf type B waar onder meer voorschrift 1.1.1 van bijlage 2 van het Besluit op van toepassing is. Ingevolge dit voorschrift mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) veroorzaakt door werkzaamheden en installaties in de inrichting op de gevel van woningen niet meer bedragen dan 50 dB(A) tussen 06.00 en 19.00 uur, 45 dB(A) tussen 19.00 en 22.00 uur en 40 dB(A) tussen 22.00 en 06.00 uur.

2.2.    Bij het bestreden besluit is, voor zover hier van belang, in plaats van de grenswaarden in genoemd voorschrift de nadere eis gesteld, dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) veroorzaakt door werkzaamheden en installaties in de inrichting op de gevel van woningen niet meer bedraagt dan 48 dB(A) tussen 06.00 en 19.00 uur, 42 dB(A) tussen 19.00 en 22.00 uur en 35 dB(A) tussen 22.00 en 06.00 uur.

2.3.    Appellant wijst erop dat het bestreden besluit namens verweerder door de teamleider milieu is genomen. Volgens appellant is niet duidelijk of hiervoor mandaat is verleend.

   Uit de Mandaatregeling Westland 2006 blijkt dat aan de teamleider milieu ondermandaat is gegeven voor onder meer het nemen van besluiten omtrent het stellen van nadere eisen op basis van een algemene maatregel van bestuur. Hiermee staat naar het oordeel van de Afdeling vast dat de teamleider milieu in het onderhavige geval bevoegd was om het bestreden besluit te nemen. Dit beroepsonderdeel slaagt niet.

2.4.    Aan het opleggen van de nadere eis heeft verweerder de omstandigheid ten grondslag gelegd, dat in juni 2004 naar aanleiding van een klacht van de bewoner van een nabijgelegen woning is gebleken, dat het in werking zijn van de inrichting een overschrijding van de in voorschrift 1.1.1 van bijlage 2 bij het Besluit opgenomen geluidgrenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de nachtperiode tot gevolg heeft. Vervolgens heeft verweerder onderzoek gedaan naar het ter plaatse heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid, waarbij zou zijn komen vast te staan dat dit ongeveer 38 dB(A) in de dagperiode, ongeveer 37 dB(A) in de avondperiode en ongeveer 32 dB(A) in de nachtperiode bedraagt. Gelet hierop is het volgens verweerder in het belang van de bescherming van het milieu nodig om geluidgrenswaarden te stellen die strenger zijn dan de in het Besluit gestelde geluidgrenswaarden. Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit aangegeven dat hij doende is de referentieniveaus van het omgevingsgeluid in de gemeente te bepalen en dat op basis daarvan gebiedsgericht beleid zal worden vastgesteld. Het thans in het geding zijnde besluit is evenwel genomen naar aanleiding van een klacht over geluidhinder.

2.5.    Appellant kan zich met het opleggen van de nadere eis niet verenigen. Hiertoe voert hij aan dat gemeentelijk beleid waarin de grondslag voor het opleggen van een dergelijke nadere eis zou moeten zijn vastgelegd, ontbreekt. Daarnaast betoogt hij dat de metingen van het referentieniveau van het omgevingsgeluid die onder meer aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, op onjuiste wijze zijn uitgevoerd. Voorts wijst appellant er op dat de betreffende geluidklacht van een omwonende betrekking had op de nachtperiode, terwijl de bij het bestreden besluit opgelegde nadere eis ook betrekking heeft op de dag- en avondperiode.

2.5.1.    Op 11 en 12 oktober 2005 heeft verweerder metingen verricht van het referentieniveau van het omgevingsgeluid in de omgeving van de inrichting. Voor het meten van dit referentieniveau heeft hij aansluiting gezocht bij de "IL-HR-15-01 (Richtlijnen voor karakterisering en meting omgevingsgeluid)" (hierna: de IL-HR-15-01). Uit deze metingen is volgens verweerder gebleken dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid lager is dan de voor de inrichting op grond van bijlage 2 bij het Besluit geldende geluidgrenswaarden.

2.5.2.    Het standpunt van appellant dat ten onrechte gemeentelijk beleid ontbreekt waarin de grondslag voor het opleggen van de nadere eis moet zijn vastgelegd, vindt naar het oordeel van de Afdeling geen steun in het recht. Het beroep kan in zoverre niet slagen.

2.5.3.    In de IL-HR-15-01 is onder meer bepaald dat minimaal twee metingen dienen te worden uitgevoerd indien de omgevingsgeluidbronnen zich op een grotere afstand dan 50 meter van het meetpunt bevinden, waarbij de windrichtingen ten minste 90 en bij voorkeur 135 graden van elkaar moeten verschillen.

   De Afdeling overweegt dat uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting blijkt dat de metingen van het referentieniveau van het omgevingsgeluid in de dag-, avond- en nachtperiode die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, niet zijn uitgevoerd conform de regels opgenomen in de IL-HR-15-01. Zo bevinden de omgevingsgeluidbronnen zich op een grotere afstand dan 50 meter van het meetpunt, doch in de dag- en avondperiode is slechts één meting verricht. In de nachtperiode zijn weliswaar drie metingen verricht, doch deze zijn niet bij verschillende windrichtingen uitgevoerd zoals bepaald in de IL-HR-15-01. Uit het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat bij recentere metingen van het referentieniveau van het omgevingsgeluid aanzienlijk hogere waarden zijn vastgesteld dan bij de metingen die op 11 en 12 oktober 2005 zijn uitgevoerd.

   Het vorenstaande in aanmerking genomen, is de Afdeling van oordeel dat de metingen onvoldoende deugdelijk zijn uitgevoerd. Nu verweerder het referentieniveau in overwegende mate bepalend heeft geacht bij het opleggen van de nadere eis en hij is uitgegaan van een ondeugdelijk gemeten referentieniveau, is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig en daarmee in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht voorbereid.

2.6.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van het verzoek van appellant om verweerder te veroordelen in de kosten van de door hem ter zitting meegebrachte deskundigen en het in zijn opdracht opgestelde deskundigenrapport overweegt de Afdeling als volgt.

   De kosten van een deskundige komen op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Ter bepaling of het inroepen van een deskundige, zoals hier aan de orde, redelijk was, kan in het algemeen als maatstaf worden gehanteerd of degene die deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van inroeping, ervan uit mocht gaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. Ten aanzien van het door appellant ter zitting meebrengen van deskundigen is de Afdeling van oordeel dat, mede in aanmerking genomen de inhoud van het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening, aan deze maatstaf niet wordt voldaan, zodat geen aanleiding bestaat verweerder te veroordelen in de door appellant hiervoor gemaakte kosten. Ten aanzien van het door appellant ingebrachte deskundigenrapport ziet de Afdeling, gelet op de inhoud en omvang hiervan, aanleiding om in de berekening van de vergoeding van de kosten voor het betreffende deskundigenrapport, in zoverre in afwijking van het door appellant ingevulde proceskostenformulier, uit te gaan van een aantal aan het opstellen van het rapport bestede uren van zes.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Westland van 3 oktober 2006, kenmerk JS/96335 06-26739;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Westland tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 950,83 (zegge: negenhonderdvijftig euro en drieëntachtig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Westland aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Westland aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. W. Sorgdrager, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Douwes, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting    w.g. Douwes

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2007

443.