Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB1756

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2007
Datum publicatie
15-08-2007
Zaaknummer
200702031/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 november 2006 heeft verweerder aan appellante op grond van de Tijdelijke subsidieregeling CO2-reductie gebouwde omgeving 2006 (hierna: de Regeling) subsidie verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 29

Uitspraak

200702031/1.

Datum uitspraak: 15 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging voor Christelijk Voortgezet Onderwijs", gevestigd te Rotterdam,

appellante,

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2006 heeft verweerder aan appellante op grond van de Tijdelijke subsidieregeling CO2-reductie gebouwde omgeving 2006 (hierna: de Regeling) subsidie verleend.

Bij besluit van 21 februari 2007, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het door appellante hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 20 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 21 maart 2007, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 juni 2007.

Bij brief van 6 juni 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door M. Vroom, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. B.B. Zuiderwijk en drs. J. Duthler, beiden werkzaam bij SenterNovem, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling, voor zover hier van belang, kan de minister ten behoeve van een CO2-reductieproject subsidie verstrekken.

   Ingevolge artikel 3 van de Regeling geldt voor het kalenderjaar 2006 een subsidieplafond van € 33 miljoen.

   Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Regeling wordt op de aanvragen tot subsidieverlening beslist in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld voor die beslissing als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.

2.2.    Appellante heeft aangevoerd dat zij in haar subsidieaanvraag abusievelijk heeft vermeld dat zij btw kan aftrekken dan wel compenseren. Deze fout heeft zij per fax van 12 oktober 2006 aan verweerder medegedeeld. Ten onrechte heeft verweerder deze wijziging niet meegenomen in het primaire besluit, aldus appellante. Tevens heeft verweerder volgens appellante bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte vorenvermelde fax niet in zijn oordeel hebben betrokken. Appellante betoogt dat het bestreden besluit derhalve onzorgvuldig is genomen.

2.3.    Verweerder betoogt dat hij de gedragslijn hanteert dat, nadat een aanvraag voor subsidieverlening is ingediend en in behandeling is genomen, alleen nog kennelijke vergissingen in de aanvraag kunnen worden aangepast of wijzigingen kunnen worden doorgevoerd die de materiële beoordeling van de aanvraag niet kunnen beïnvloeden. Nu er eveneens onderwijsinstellingen bestaan die wel btw-plichtig zijn, is verweerder van mening dat hij de aanvraag als compleet mocht beschouwen en niet gesproken kan worden van een kennelijke vergissing. Verder voert verweerder aan dat het een wijziging betreft die de materiële beoordeling van de aanvraag kan beïnvloeden.

2.4.    De Afdeling overweegt dat verweerder de betrokken vermelding in de aanvraag met recht niet heeft aangemerkt als kennelijke vergissing en ervan is uitgegaan dat de fax van 12 oktober 2006 een wijziging van de aanvraag betreft.

   De Regeling voorziet in een subsidieplafond en het onderling rangschikken van aanvragen in volgorde van ontvangst, alsmede in het aanmerken van de dag waarop een aanvraag is aangevuld als datum van ontvangst van de aanvraag, wanneer de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen. In het licht van dit stelsel van de Regeling zou wijziging van de aanvraag overeenkomstig de fax van 12 oktober 2006 naar het oordeel van de Afdeling slechts mogelijk zijn door dienovereenkomstige aanpassing van de voor de toepassing van de Regeling geldende datum van ontvangst van de aanvraag.

   Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder in het onderhavige geval de door appellante ingediende wijziging als afzonderlijke nieuwe aanvraag beschouwd en de datum van ontvangst van de initiële aanvraag behouden. Nu dit voor appellante gunstiger was, aangezien ten tijde van de ingediende wijziging het subsidieplafond reeds was bereikt, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder aldus een te geringe subsidie op de aanvraag heeft verleend. Onder deze omstandigheden kan verweerder naar het oordeel van de Afdeling evenmin worden tegengeworpen dat hij vorenvermelde fax niet in zijn beslissing op bezwaar heeft betrokken.

2.5.    Het beroep is ongegrond.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Kuipers

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2007

271-529.