Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB1738

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2007
Datum publicatie
15-08-2007
Zaaknummer
200700802/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 oktober 2006, heeft het college van burgemeester en wethouders van Werkendam het wijzigingsplan "Wijzigingsplan I bestemmingsplan kern Hank locatie Buitendijk […]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200700802/1.

Datum uitspraak: 15 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats]

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2006, heeft het college van burgemeester en wethouders van Werkendam het wijzigingsplan "Wijzigingsplan I bestemmingsplan kern Hank locatie Buitendijk […]" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 5 december 2006, no. 1239015/1245657 beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 28 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 30 januari 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van  het college van burgemeester en wethouders van Werkendam, van

appellanten en van [partij], die als partij tot het geding is toegelaten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juli 2007, waar appellanten, in persoon, zijn verschenen. Voorts zijn daar als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders van Werkendam, vertegenwoordigd door J. Hoeke-Boterblom, ambtenaar van de gemeente, en [partij].

Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Procedurele aspecten

2.2.    Appellanten stellen dat zij van de zijde van de gemeente verkeerd zijn voorgelicht over het indienen van bedenkingen tegen het bestemmingsplan "Kern Hank", in welk bestemmingsplan de wijzigingsbevoegdheid is opgenomen waaraan met het wijzigingsplan toepassing wordt gegeven. Voorts zijn zij van mening dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Kern Hank" niet de juiste procedure is gevolgd.

2.2.1.    De Afdeling overweegt dat deze bezwaren van appellanten noch betrekking hebben op het wijzigingsplan noch op het besluit omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dat in deze procedure ter beoordeling staat. Deze bezwaren kunnen in deze procedure derhalve niet aan de orde komen.

Standpunt van appellanten

2.3.    Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het wijzigingsplan. Zij voeren daartoe aan dat verweerder hun bedenkingen onvoldoende heeft meegewogen in zijn besluitvorming en wijzen in dat verband op vermindering van hun privacy en afnemende lichtinval op hun percelen. Voorts voeren zij aan dat het plan, vanwege de te geringe diepte van het voor de bouw van een woning bestemde perceel, in strijd is met de gemeentelijke notitie "beoordeling bouwinitiatieven van particulieren voor woningen in de bebouwde kom".

Standpunt van verweerder

2.4.    Verweerder heeft het wijzigingsplan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht geacht en heeft daaraan goedkeuring verleend. Verweerder kan in hoofdlijnen instemmen met de reactie van het college van burgemeester en wethouders op de ingebrachte zienswijzen. Hij is van mening dat het wijzigingsplan geen onevenredige aantasting van de belangen van de omwonenden met zich brengt. Voorts geldt in zijn algemeenheid dat geen blijvende planologische rechten kunnen worden ontleend aan een bestaande woonsituatie, aldus verweerder.

Standpunt van het college van burgemeester en wethouders

2.5.    Het college van burgemeester en wethouders heeft, voor zover hier van belang, als volgt gereageerd op de door appellanten ingediende zienswijze. Toevoeging van de woning past binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur. Vanuit de woning is er zicht op de percelen van appellanten, maar ook in de huidige situatie hebben passanten zicht op deze percelen. Het zicht van passanten zal door de woning worden beperkt, bovendien is zicht op de percelen door de aanwezige begroeiing slechts mogelijk gedurende een deel van het jaar, zodat sprake is van slechts een beperkte mate van verminderde privacy. Voorts blijkt uit een onderzoek naar de schaduwwerking van de nieuwe woning dat deze nauwelijks schaduw zal werpen op de percelen van appellanten, zelfs niet bij een laagstaande zon.

Vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.1.    Het wijzigingsplan voorziet, voor zover thans van belang, in de mogelijkheid tot het bouwen van een vrijstaande woning op het perceel Buitendijk […] ten noordwesten van de woningen van appellanten. Het perceel is ongeveer 15 meter diep en ongeveer 35 meter breed. Over een afstand van ongeveer 18 meter is het perceel over de gehele diepte aangeduid als 'tuin onbebouwd'.

2.6.2.    In het rapport "Schaduwstudie Nieuwbouw woning aan Buitendijk […] te Hank" (gemeente Werkendam, oktober 2006) zijn de resultaten van het onderzoek naar de schaduwwerking van de nieuwe woning op de percelen van appellanten weergegeven. In dit rapport is onder meer vermeld dat de bouw van de woning aan de Buitendijk […] wat betreft lichttoetreding en bezonning geen ongewenste situaties oplevert voor appellanten.

2.6.3.    In de gemeentelijke notitie "beoordeling bouwinitiatieven van particulieren voor woningen in de bebouwde kom" van 19 december 2006, voor zover hier van belang, is vermeld dat kavels met een diepte van minder dan 20 meter in veel gevallen leiden tot minder gewenste woonsituaties. Alleen als sprake is van vrijstaande woonhuizen op een extra brede kavel kan een grote zijtuin een ondiepe kavel compenseren.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    Met het bestaan van de door verweerder goedgekeurde wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van verweerder onverlet om in de besluitvorming omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.

2.7.1.    Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder de belangen van appellanten in zijn besluitvorming betrokken. Het wijzigingsplan maakt de bouw van één woning mogelijk. Voorts bestaat blijkens de foto's in de schaduwstudie vanaf de locatie van de te realiseren woning geen zicht op de voorzijde van de woningen van appellanten. Bovendien bestaat ook in de huidige situatie vanaf de Buitendijk reeds zicht op de percelen van appellanten.

   Bij de voorbereiding van het wijzigingsplan heeft het gemeentebestuur onderzoek verricht naar de schaduwwerking op de percelen van appellanten als gevolg van de te realiseren woning. Daaruit volgt dat deze woning in geringe mate leidt tot schaduwwerking op de percelen van appellanten. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet had mogen baseren.

   Gelet hierop heeft verweerder de effecten van het wijzigingsplan op de privacy van appellanten en op de lichtinval op hun percelen, afgezet tegen het belang van woningbouw dat met het wijzigingsplan is gediend, aanvaardbaar kunnen achten.

2.7.2.    Het gemeentelijke beleid op het punt van de minimaal wenselijk geachte diepte van een kavel is eerst na het nemen van het bestreden besluit vastgesteld door de gemeenteraad van Werkendam. Reeds hierom heeft verweerder in dit bezwaar van appellanten terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het wijzigingsplan te onthouden. Overigens laat dit beleid ruimte om van de minimaal wenselijk geachte diepte van 20 meter af te wijken wanneer, zoals in het voorliggende geval, sprake is van een extra brede kavel.

2.8.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting    w.g. Rop

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2007

417-528.