Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB1732

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2007
Datum publicatie
15-08-2007
Zaaknummer
200700383/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 september 2005 heeft de burgemeester van Eindhoven (hierna: de burgemeester) geweigerd appellant een vergunning te verlenen voor de exploitatie van een horecabedrijf in het pand [locatie] te Eindhoven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2007/1161

Uitspraak

200700383/1.

Datum uitspraak: 15 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Eindhoven

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/261 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 18 december 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de burgemeester van Eindhoven.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2005 heeft de burgemeester van Eindhoven (hierna: de burgemeester) geweigerd appellant een vergunning te verlenen voor de exploitatie van een horecabedrijf in het pand [locatie] te Eindhoven.

Bij besluit van 20 december 2005 heeft de burgemeester van Eindhoven het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 december 2006, verzonden op 27 december 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 11 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 februari 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 maart 2007 heeft de burgemeester van Eindhoven van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2007, waar appellant, vergezeld van [belanghebbende] en bijgestaan door mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven en de burgemeester vertegenwoordigd door mr. A. Kepers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2.3.1.2, eerste lid, van de Algemeen Plaatselijke Verordening van Eindhoven is het verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

   Ingevolge het derde lid van dit artikel kan de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.

   Ingevolge het vierde lid van dit artikel houdt de burgemeester bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf.

2.2.    Appellant beoogt met de gevraagde vergunning een café genaamd [a] te exploiteren in het pand waarin voorheen [café b] was gevestigd.

   Dit café is op 16 juni 2003 op last van de burgemeester voor de duur van 52 weken gesloten omdat in dit bedrijf harddrugs waren aangetroffen. Sindsdien staat het pand leeg. De sluiting maakte deel uit van een reeks maatregelen die de burgemeester heeft getroffen ter bestrijding van de drugsgerelateerde overlast in de wijk waarin de Edisonstraat is gelegen alsmede in de direct aangrenzende wijk Woensel, die in het kader van het Grote Stedenbeleid is aangewezen als impulswijk. De maatregelen strekten onder meer tot sluiting van drugscafés, preventief fouilleren, cameratoezicht, extra politietoezicht, aanpassing van de sluitingstijden voor de raamprostitutiepanden en tot het tijdelijk instellen van een tippelzone.

2.3.    De burgemeester heeft de weigering van de exploitatievergunning in bezwaar gehandhaafd omdat de woon- en leefsituatie in de wijk en naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig zou worden beïnvloed door de aanwezigheid van het gewenste horecabedrijf. Daartoe is uiteengezet dat de situatie medio 2003 dusdanig was geëscaleerd dat de politie geen controle meer had op de wijk en dat de grootste problemen werden veroorzaakt door een drietal overlast gevende drugscafé's gelegen op de kop van de Edisonstraat, waaronder [café b]. Tengevolge van de getroffen maatregelen is de rust enigermate teruggekeerd, doch van een genormaliseerde situatie is nog geen sprake. Blijkens het advies van de politie is er onvoldoende grond om aan te nemen dat bij heropening van de inrichting voorkomen kan worden dat de drugsdealers terugkeren en dat de exploitant, ondanks zijn goede bedoelingen, daaraan effectief weerstand zal kunnen bieden.

2.4.    Appellant herhaalt zijn in beroep gevoerde betoog dat sprake is van een verkapte wijziging van het bestemmingsplan nu het cafépand al vier jaren gesloten is, hoewel het bestemmingsplan horeca-aktiviteiten ter plaatse toestaat. Appellant betwijfelt of de overlast die in het verleden werd veroorzaakt door dealers die vanuit de wijk Woensel een loop hadden tussen de diverse cafés in de Edisonstraat, terugkomt omdat inmiddels de drie cafés zijn gesloten. Zijns inziens is niet aangetoond dat de overlast zal terugkeren. Appellant heeft, naar hij meent, niet de kans gekregen om te bewijzen dat hij in staat is een horecabedrijf te exploiteren in de Edisonstraat zonder dat de openbare orde wordt verstoord en zonder dat hij zich inlaat met drugsgerelateerde activiteiten. De rechtbank heeft ten onrechte het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen. Het eveneens in de Edisonstraat gevestigde [café c] heeft immers bewezen bestaansrecht te hebben zonder dat de openbare orde wordt verstoord.

2.5.    De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de afwijzing van de vergunningaanvraag van appellant niet neerkomt op een verkapte wijziging van het bestemmingsplan, nu andere vormen van een horeca-inrichting niet zijn uitgesloten.

   De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid op grond van het rapport van de politie Brabant Zuid-Oost van 20 juli 2005 tot de conclusie is kunnen komen dat na het treffen van voormelde maatregelen een relatief rustige woon/leefomgeving tot stand is gekomen en dat het aangewezen is dat die situatie ten minste in stand wordt gehouden. Blijkens dit rapport acht de politie het niet waarschijnlijk dat [café a] een buurtfunctie zal vervullen, gelet op de ervaringen die zijn opgedaan met de exploitatie van [café b]. Aangezien appellant geen ondernemingsplan heeft ingediend en ook anderszins geen inzicht heeft verschaft in de doelgroep waarop hij zich richt en de wijze waarop hij die groep denkt aan te trekken, ziet de politie onvoldoende grond om aan te nemen dat appellant in staat zal zijn ander publiek aan te trekken dan [café b] en aldus voldoende inkomsten te genereren om het oude publiek daadwerkelijk te kunnen weren. Vestiging van het in geding zijnde café acht de politie daarom onwenselijk omdat terugkeer naar de oude situatie dreigt.

   De rechtbank heeft terecht overwogen dat, gezien de aard van de horeca-inrichting, de aard en het karakter van de wijk en de precaire situatie die nog steeds bestaat, de burgemeester in alle redelijkheid tot de conclusie is kunnen komen dat bij het verlenen van de gevraagde vergunning de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horeca-bedrijf en de openbare orde op ontoelaatbare wijze worden beïnvloed en dat de burgemeester derhalve in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot weigering van de exploitatievergunning.

2.6.    Het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft de rechtbank op goede gronden verworpen. [Café c] is reeds jaren onderdeel geweest van een inmiddels naar de nabije buurt verplaatste seksinrichting. Dit café had in het verleden maar heeft ook thans een eigen aan de seksinrichting gerelateerd klantenbestand, waar drugsdealers en hun afnemers geen deel van uitmaken en kennelijk effectief konden worden geweerd. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat een vergelijkbare situatie zich dan ook niet voordoet.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. De Koning

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2007