Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB1731

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-08-2007
Datum publicatie
15-08-2007
Zaaknummer
200608519/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2006 heeft de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW) de aan appellante verleende erkenning van de bedrijfsvoorraad voor een periode van twaalf weken ingetrokken wegens overtreding van artikel 9, achtste lid, van de Regeling erkenning bedrijfsvoorraad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Verkeer 2007/246

Uitspraak

200608519/1.

Datum uitspraak: 15 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. 06/2360 en 06/2361 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 21 november 2006 in het geding tussen:

appellante

en

de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2006 heeft de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW) de aan appellante verleende erkenning van de bedrijfsvoorraad voor een periode van twaalf weken ingetrokken wegens overtreding van artikel 9, achtste lid, van de Regeling erkenning bedrijfsvoorraad.

Bij besluit van 18 oktober 2006 heeft de RDW het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 november 2006, verzonden op 22 november 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 24 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 december 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 31 januari 2007 heeft de RDW van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. M.W. van Ochten, advocaat te Oss, en de RDW, vertegenwoordigd door mr. T. Bosboom zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 62, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW) kan de Dienst Wegverkeer aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is motorrijtuigen en aanhangwagens, waarvan hij de eigendom heeft verkregen, in zijn bedrijfsvoorraad op te nemen.

   Ingevolge artikel 62, vierde lid, van de WVW kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld die aan een erkenning worden verbonden en kunnen met betrekking tot die voorschriften regels worden vastgesteld. Deze voorschriften en regels zijn vastgesteld - onder meer - bij de Regeling erkenning bedrijfsvoorraad van 13 december 1994, Stcrt. 248 (hierna: de Regeling) en het Kentekenreglement (hierna: het Kr) (Stb. 596, 1996).

   Ingevolge artikel 65, tweede lid, onder c, van de WVW kan de Dienst Wegverkeer een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

   Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Regeling moet het erkende bedrijf het bij en krachtens de wet bepaalde omtrent de bedrijfsvoorraad, de erkenning alsmede de registratie, het gebruik en de beëindiging van de registratie van de tot de bedrijfsvoorraad behorende voertuigen in acht nemen.

   Ingevolge artikel 9, achtste lid, van de Regeling draagt het erkende bedrijf er zorg voor dat van voertuigen waarvoor nog geen kentekenbewijs of een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs is afgegeven, alsmede van voertuigen die in de bedrijfsvoorraad van het erkende bedrijf zijn opgenomen, geen gebruik wordt gemaakt van de openbare weg zonder dat zij zijn voorzien van een aan het bedrijf opgegeven handelaarskenteken.

2.2.    Met betrekking tot het toezicht op erkenningen bedrijfsvoorraad en (handelaars) kentekenbewijzen voert de RDW een beleid dat is neergelegd in zogeheten toezichtbeleidsbrieven. De in deze zaak van toepassing zijnde - ook aan appellante toegezonden - toezichtbeleidsbrief dateert van 15 november 2005.

   Volgens het sanctiebeleid in deze toezichtbeleidsbrief kan bij constatering van overtredingen onder meer een waarschuwing of een tijdelijke intrekking van zes of twaalf weken als sanctie worden opgelegd. De houder van een erkenning bedrijfsvoorraad ontvangt als regel voorafgaand aan het opleggen van een tijdelijke intrekking een waarschuwing. Wanneer korter dan twee jaar geleden een waarschuwing is opgelegd wordt bij een volgende zware overtreding een tijdelijke intrekking van in beginsel zes weken opgelegd. Afhankelijk van de omstandigheden kan ook intrekking voor twaalf weken volgen bijvoorbeeld bij veelheid van overtredingen, wanneer geen actie is ondernomen om een eerder geconstateerde overtreding ongedaan te maken en bij herhaling van dezelfde overtredingen.

   Uit bijlage I van de toezichtbeleidsbrief blijkt dat het gebruik maken van de openbare weg van een voertuig uit de bedrijfsvoorraad zonder dat het is voorzien van handelaarskentekenplaten als een zware overtreding wordt aangemerkt.

2.3.    Vaststaat dat aan appellante op 23 december 2004 een waarschuwing is opgelegd wegens overtreding van artikel 9, achtste lid, van de Regeling.

   Niet in geschil is dat het in de bedrijfsvoorraad van appellante opgenomen voertuig met het kenteken […] op 22 maart 2006 van de openbare weg gebruik heeft gemaakt zonder de vereiste handelaarskentekenbewijzen. Dit is wederom een overtreding van artikel 9, achtste lid, van de Regeling.

2.4.    De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het door de RDW gevoerde sanctiebeleid niet als kennelijk onredelijk kan worden beschouwd. Voorts heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de RDW terecht bij het opleggen van de onderhavige sanctie in aanmerking heeft genomen dat sprake is van recidive en dat de aan appellante opgelegde sanctie in overeenstemming is met het beleid en gelet op de ernst van de recente overtreding, de mate van verwijtbaarheid en het met een correcte naleving van artikel 9, achtste lid, van de Regeling gemoeide belang, niet onevenredig zwaar is te achten. Hieraan doet volgens de voorzieningenrechter niet af dat appellante het betreffende voertuig op 22 maart 2006 in consignatie heeft gegeven aan een derde en deze derde het voertuig van de openbare weg gebruik heeft laten maken zonder handelaarskentekenplaten. De RDW kan gevolgd worden in zijn standpunt dat de erkenninghouder risico en verantwoordelijkheid draagt voor de in de bedrijfsvoorraad geregistreerde voertuigen, aldus de voorzieningenrechter.

2.5.    Appellante betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat haar geen enkel verwijt van de overtreding kan worden gemaakt. Zij heeft het voertuig immers in consignatie gegeven aan een derde, eveneens een erkende autohandelaar, die het voertuig zonder handelaarskentekenplaten van de openbare weg gebruik heeft laten maken. Deze derde was zich, zo blijkt uit diens verklaring, bewust van de overtreding en is bereid de schade op zich te nemen.

2.5.1.    Door het aanvaarden van een erkenning bedrijfsvoorraad mag een erkenninghouder een bedrijfsvoorraad voeren via een speciale overschrijvingsprocedure. Deze bedrijfsvoorraad is vrijgesteld van een aantal aan de voertuigregistratie verbonden verplichtingen. Op de erkenninghouder die deze voordelen geniet, rust ingevolge artikel 9, achtste lid, van de Regeling onder meer de plicht om te zorgen dat door voertuigen die in de bedrijfsvoorraad zijn opgenomen, geen gebruik wordt gemaakt van de openbare weg zonder dat zij zijn voorzien van een handelaarskenteken. Appellante heeft het betreffende voertuig in consignatie aan een derde gegeven, en daarmee geheel aan haar eigen toezicht onttrokken. Aldus heeft appellante zich onvoldoende van die zorgplicht gekweten. Appellante heeft immers het risico aanvaard dat deze derde het voertuig van de openbare weg gebruik zou laten maken zonder handelaarskentekenplaten. Het is aan de erkenninghouder om ervoor zorg te dragen dat degene aan wie hij zijn voertuigen in consignatie geeft voldoende zorgvuldigheid met deze voertuigen zal betrachten en niet in strijd met de Regeling zal handelen. Het betoog van appellante faalt derhalve.

2.6.    Appellante betoogt voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die aanleiding hadden moeten zijn voor het niet opleggen van een sanctie, dan wel het matigen van de opgelegde sanctie. Dit klemt volgens appellante temeer nu er reeds een naheffing is opgelegd door de belastingdienst.

2.6.1.    Niet is gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan de RDW in dit geval niet onverkort aan het beleid heeft kunnen vasthouden. Een zodanige omstandigheid is blijkens het vorenoverwogene niet gelegen in het feit dat de betrokken auto door appellante in consignatie is gegeven. Datzelfde geldt voor de naheffing die door de belastingdienst is opgelegd.

2.7.    Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter terecht tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Molenaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Molenaar

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2007

369-470.