Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB1457

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2007
Datum publicatie
09-08-2007
Zaaknummer
200704639/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voornemenprocedure / zorgvuldigheidsbeginsel / toezenden voornemen aan gemachtigde

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 oktober 2002 in zaak no. 200204386/1; JV 2002/436) moet de mogelijkheid voor de vreemdeling om een zienswijze naar voren te brengen worden aangemerkt als een essentieel onderdeel van de procedure die voorafgaat aan de totstandkoming van het besluit op aanvraag. De rechtbank houdt het er voor dat appellant zich bij zijn aanvraag door een gemachtigde heeft laten bijstaan. In hoger beroep is dit niet bestreden, zodat daar inderdaad van moet worden uitgegaan. Nu appellant door een gemachtigde, als bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt bijgestaan, brengt het zorgvuldigheidsbeginsel mee dat de minister het voornemen tevens aan de gemachtigde had moeten toezenden. Niet in geschil is dat dit niet is gebeurd. De gemachtigde van appellant is daardoor niet in de gelegenheid gesteld de zienswijze naar voren te brengen. De omstandigheid dat het voornemen wel aan appellant in persoon is uitgereikt, maakt dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet anders, omdat appellant er van uit mocht gaan dat zijn gemachtigde een kopie van het voornemen zou ontvangen en daarop zou reageren. De grief slaagt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 2:1
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/428

Uitspraak

200704639/1.

Datum uitspraak: 31 juli 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[Appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/61213 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg, van 12 juni 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 juni 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 5 juli 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 juli 2007 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover thans van belang, wordt het schriftelijke voornemen aan de vreemdeling meegedeeld door uitreiking of toezending ervan.

2.2. In de eerste grief klaagt appellant dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij door het niet toezenden van het voornemen aan zijn gemachtigde niet zodanig in zijn belangen is geschaad, dat dat tot vernietiging van het bij haar bestreden besluit zou moeten leiden.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 oktober 2002 in zaak no. 200204386/1; JV 2002/436) moet de mogelijkheid voor de vreemdeling om een zienswijze naar voren te brengen worden aangemerkt als een essentieel onderdeel van de procedure die voorafgaat aan de totstandkoming van het besluit op aanvraag.

De rechtbank houdt het er voor dat appellant zich bij zijn aanvraag door een gemachtigde heeft laten bijstaan. In hoger beroep is dit niet bestreden, zodat daar inderdaad van moet worden uitgegaan. Nu appellant door een gemachtigde, als bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt bijgestaan, brengt het zorgvuldigheidsbeginsel mee dat de minister het voornemen tevens aan de gemachtigde had moeten toezenden. Niet in geschil is dat dit niet is gebeurd. De gemachtigde van appellant is daardoor niet in de gelegenheid gesteld de zienswijze naar voren te brengen. De omstandigheid dat het voornemen wel aan appellant in persoon is uitgereikt, maakt dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet anders, omdat appellant er van uit mocht gaan dat zijn gemachtigde een kopie van het voornemen zou ontvangen en daarop zou reageren. De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De overige grieven behoeven geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van appellant tegen het besluit van 16 november 2006 van de minister alsnog gegrond verklaren.

2.4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg, van 12 juni 2007 in zaak no. AWB 06/61213;

III. verklaart het door appellant bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 16 november 2006;

V. veroordeelt de Staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens

Voorzitter

w.g. Graat

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2007

307.

Verzonden: 31 juli 2007

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak