Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB1451

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2007
Datum publicatie
09-08-2007
Zaaknummer
200704476/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / heropening onderzoek / termijn voor het sluiten van het onderzoek

De rechtbank heeft het op 27 mei 2007 ontvangen beroep binnen de in artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000 gestelde termijn op 7 juni 2007 ter zitting behandeld. Nadat ter zitting het onderzoek door de rechtbank was gesloten, heeft zij op 12 juni 2007 besloten het onderzoek in verband met een door appellant ter zitting opgeworpen grond te heropenen en de staatssecretaris om nadere inlichtingen verzocht. De staatssecretaris heeft deze inlichtingen op 12 juni 2007 aan de rechtbank verstrekt en appellant heeft op dezelfde datum daarop gereageerd. Op 26 juni 2007 heeft de rechtbank met toestemming van partijen het onderzoek zonder nadere behandeling ter zitting gesloten en binnen de in artikel 94, derde lid, van de Vw 2000 gestelde termijn op diezelfde dag uitspraak gedaan. Er zijn derhalve geen nationaalrechtelijke termijnen overschreden. Gelet op het arrest van het EHRM van 1 oktober 2002 in de zaak Tekdemir tegen Nederland (nos. 46860/99 en 49823/99, www.echr.coe.int) en het arrest van het EHRM van 18 september 2001 in de zaak Erdogan tegen Nederland (no. 49820/99, www.echr.coe.int), en bij gebreke van door appellant aangevoerde bijzondere individuele feiten en omstandigheden die in zijn geval tot een snellere beslissing noopten, is er in dit geval geen grond voor het oordeel dat de rechtbank in strijd met artikel 5, vierde lid, van het EVRM heeft gehandeld.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 94
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/427
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200704476/1.

Datum uitspraak: 30 juli 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[Appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 07/22084 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 26 juni 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2007 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 juni 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 29 juni 2007, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 juli 2007 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de eerste grief klaagt appellant dat, samengevat weergegeven, de rechtbank, door eerst op 26 juni 2007 op het door hem op 27 mei 2007 ingestelde beroep te beslissen, artikel 5, vierde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft geschonden. Daartoe voert appellant aan dat de rechtbank niet direct nadat nadere inlichtingen van de staatssecretaris op 12 juni 2007 waren ontvangen het onderzoek heeft gesloten, doch veertien dagen heeft gewacht met het sluiten van het onderzoek en uitspraak doen, terwijl gedurende die veertien dagen niet van enig ander nader onderzoek door de rechtbank is gebleken.

2.1.1. Ingevolge artikel 94, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, bepaalt de rechtbank onmiddellijk het tijdstip van het onderzoek ter zitting. De zitting vindt uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift plaats. In afwijking van artikel 8:42, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan de in dat artikel bedoelde termijn niet worden verlengd.

Ingevolge derde lid, doet de rechtbank schriftelijk of mondeling uitspraak. De schriftelijke uitspraak wordt binnen zeven dagen na de sluiting van het onderzoek gedaan. In afwijking van artikel 8:66, tweede lid, van de Awb kan de in dat artikel bedoelde termijn niet worden verlengd.

Ingevolge artikel 5, vierde lid, van het EVRM heeft een ieder, wie door arrestatie of detentie zijn vrijheid is ontnomen, het recht voorziening te vragen bij het gerecht opdat deze spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn invrijheidsstelling beveelt, indien de detentie onrechtmatig is. De vraag of sprake is van een spoedige beslissing in de zin van dit artikel dient te worden beantwoord in het licht van de omstandigheden van het geval (uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 21 oktober 1986 in de zaak Sanchez-Reisse tegen Zwitserland, NJ 1988, 555).

2.1.2. De rechtbank heeft het op 27 mei 2007 ontvangen beroep binnen de in artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000 gestelde termijn op 7 juni 2007 ter zitting behandeld. Nadat ter zitting het onderzoek door de rechtbank was gesloten, heeft zij op 12 juni 2007 besloten het onderzoek in verband met een door appellant ter zitting opgeworpen grond te heropenen en de staatssecretaris om nadere inlichtingen verzocht. De staatssecretaris heeft deze inlichtingen op 12 juni 2007 aan de rechtbank verstrekt en appellant heeft op dezelfde datum daarop gereageerd. Op 26 juni 2007 heeft de rechtbank met toestemming van partijen het onderzoek zonder nadere behandeling ter zitting gesloten en binnen de in artikel 94, derde lid, van de Vw 2000 gestelde termijn op diezelfde dag uitspraak gedaan. Er zijn derhalve geen nationaalrechtelijke termijnen overschreden.

Gelet op het arrest van het EHRM van 1 oktober 2002 in de zaak Tekdemir tegen Nederland (nos. 46860/99 en 49823/99, www.echr.coe.int) en het arrest van het EHRM van 18 september 2001 in de zaak Erdogan tegen Nederland (no. 49820/99, www.echr.coe.int), en bij gebreke van door appellant aangevoerde bijzondere individuele feiten en omstandigheden die in zijn geval tot een snellere beslissing noopten, is er in dit geval geen grond voor het oordeel dat de rechtbank in strijd met artikel 5, vierde lid, van het EVRM heeft gehandeld.

2.2. Hetgeen voor het overige is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. S.J.E. Horstink von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. T.N.H. Nguyen, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens

Voorzitter

w.g. Nguyen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2007

421.

Verzonden: 30 juli 2007

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak