Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB1446

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2007
Datum publicatie
09-08-2007
Zaaknummer
200703063/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leeftijdsonderzoek / contra-expertise / termijn

De vreemdeling heeft bij brief van 20 juli 2005, derhalve tijdens de besluitvormingsfase, aangekondigd een contra-expertise te zullen aanvragen. In die brief noch in de zienswijze heeft de vreemdeling aangegeven binnen welke termijn de contra-expertise zal worden overgelegd. Het lag, ondanks de mededeling in de brief van de minister van 20 juli 2005 dat hij in het aanvragen van een contra expertise geen reden ziet voor uitstel van zijn beslissing, op de weg van de vreemdeling om daadwerkelijk een contra expertise te laten uitvoeren en de minister op de hoogte te houden van de stand van zaken omtrent die contra-expertise. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het niet aan de vreemdeling is toe te rekenen dat de minister de contra-expertise niet in zijn besluitvorming heeft betrokken. De rechtbank heeft de contra-expertise ten onrechte bij haar beoordeling betrokken. De minister heeft onder de gegeven omstandigheden geen aanleiding hoeven zien bij de vreemdeling naar de stand van zaken omtrent de aangekondigde contra-expertise nader te informeren alvorens op de aanvraag te beslissen. De grief slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703063/1.

Datum uitspraak: 20 juli 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/7837 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 2 april 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 2 april 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de Staatssecretaris van Justitie een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 1 mei 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 juni 2007 heeft de vreemdeling een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De staatssecretaris klaagt dat de rechtbank, door te overwegen dat het feit dat de contra-expertise niet voorafgaand aan het besluit van 13 januari 2006 is overgelegd het gevolg is van niet aan de vreemdeling toe te rekenen omstandigheden en door het rapport van deze contra-expertise om die reden bij de beoordeling van het beroep te betrekken, heeft miskend dat de door de vreemdeling als disculperend aangegeven omstandigheden voor het pas in beroep overleggen van de contra-expertise, niet kunnen worden aangemerkt als niet aan de vreemdeling toe te rekenen omstandigheden. Voorts klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank, door te overwegen dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door op de aanvraag te beslissen zonder bij de vreemdeling te informeren wanneer de contra-expertise kon worden verwacht, heeft miskend dat de vreemdeling hangende de besluitvormingsfase geen indicatie heeft gegeven binnen welke termijn een contra-expertise beschikbaar zou zijn.

2.2. Het rapport van de op verzoek van de vreemdeling uitgevoerde contra-expertise is eerst in beroep overgelegd.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 31 maart 2005 in zaak no. 200410541/1; JV 2005/207) volgt uit artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 dat een rapport houdende een contra-expertise in beginsel in de fase van de besluitvorming dient te worden overgelegd. Slechts indien dit niet mogelijk is als gevolg van niet aan de vreemdeling toe te rekenen omstandigheden, kan een eerst in beroep overgelegde contra expertise bij de beoordeling in rechte worden betrokken.

2.3. Op 18 juli 2005 heeft een onderzoek naar de leeftijd van de vreemdeling plaatsgevonden.

Bij brief van 20 juli 2005 heeft de vreemdeling de in het verslag van 19 juli 2005 neergelegde resultaten van het leeftijdsonderzoek bestreden en aangegeven een contra expertise te willen laten uitvoeren.

Bij brief van 20 juli 2005 heeft de minister de vreemdeling medegedeeld de bij het leeftijdsonderzoek van 18 juli 2005 gemaakte röntgenfoto's te zullen doorsturen naar een door haar aangewezen specialist. Daarbij heeft de minister vermeld in het aanvragen van een contra expertise geen reden te zien om de resultaten van dit onderzoek af te wachten alvorens een beslissing te nemen op de verblijfsaanvraag.

Bij brief van 21 juli 2005 heeft de minister de op 18 juli 2005 gemaakte röntgenfoto's doorgestuurd naar een door de vreemdeling aangewezen specialist, ter uitvoering van een contra-expertise inzake leeftijdsonderzoek.

In het nader gehoor van 6 september 2005 heeft de minister bij de vreemdeling geïnformeerd naar de stand van zaken omtrent de aangekondigde contra expertise.

Bij brief van 16 november 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de minister de vreemdeling het voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag doen toekomen. De vreemdeling is daarbij in de gelegenheid gesteld haar zienswijze op het voornemen binnen vier weken schriftelijk naar voren te brengen.

In de zienswijze van 14 december 2005 heeft de op dat moment, sinds 27 september 2005, voor de vreemdeling optredende gemachtigde de minister medegedeeld dat het onduidelijk is of de eerder aangekondigde contra expertise heeft plaatsgevonden, maar dat alsnog een rapport van contra expertise zal worden opgesteld.

In het besluit van 13 januari 2006 heeft de minister op de aanvraag beslist zonder de resultaten van de contra expertise af te wachten. Daarbij heeft de minister in aanmerking genomen dat er vanuit mag worden gegaan dat die gemachtigde zich bij overname van het dossier in kennis had kunnen stellen van de stand van zaken inzake het uitvoeren van de contra expertise.

2.4. De vreemdeling heeft bij brief van 20 juli 2005, derhalve tijdens de besluitvormingsfase, aangekondigd een contra-expertise te zullen aanvragen. In die brief noch in de zienswijze heeft de vreemdeling aangegeven binnen welke termijn de contra-expertise zal worden overgelegd. Het lag, ondanks de mededeling in de brief van de minister van 20 juli 2005 dat hij in het aanvragen van een contra expertise geen reden ziet voor uitstel van zijn beslissing, op de weg van de vreemdeling om daadwerkelijk een contra expertise te laten uitvoeren en de minister op de hoogte te houden van de stand van zaken omtrent die contra-expertise.

Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het niet aan de vreemdeling is toe te rekenen dat de minister de contra-expertise niet in zijn besluitvorming heeft betrokken. De rechtbank heeft de contra-expertise ten onrechte bij haar beoordeling betrokken.

De minister heeft onder de gegeven omstandigheden geen aanleiding hoeven zien bij de vreemdeling naar de stand van zaken omtrent de aangekondigde contra-expertise nader te informeren alvorens op de aanvraag te beslissen.

De grief slaagt.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De overige grieven behoeven geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 13 januari 2006 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover deze na het vorenoverwogene nog bespreking behoeven.

2.6. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat de minister in het besluit van 13 januari 2006 ten onrechte heeft overwogen dat geen positieve overtuigingskracht van haar asielrelaas uitgaat, nu zij consistente en gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd.

2.7. De minister heeft bij het onderzoek naar de aanvraag betrokken dat de vreemdeling geen reispapieren, documenten of bescheiden heeft overgelegd, noch concrete en verifieerbare verklaringen heeft afgelegd over de door haar gestelde reis, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van haar aanvraag en dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van deze stukken niet aan haar is toe te rekenen, zodat van haar asielrelaas een positieve overtuigingskracht dient uit te gaan.

Gelet op hetgeen in het besluit en het daarin ingelaste voornemen is overwogen omtrent de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling over haar leeftijd en de uitkomst van het leeftijdsonderzoek, haar schoolperiode en de wijk waarin zij stelt te zijn geboren en opgegroeid, kan hetgeen de vreemdeling daartegen in beroep heeft aangevoerd, in het licht van het hiervoor overwogene, niet tot het oordeel leiden dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet met bewijsmateriaal gestaafde asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist en derhalve niet geloofwaardig is.

2.8. De Afdeling zal derhalve het inleidende beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaren.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 2 april 2007 in zaak no. AWB 06/7837;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

Voorzitter

w.g. Ramrattansing

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2007

408

Verzonden: 20 juli 2007

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak