Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB1441

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2007
Datum publicatie
09-08-2007
Zaaknummer
200700677/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / vrijstelling in verband met medische noodsituatie / feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg

Zoals blijkt uit de uitspraken van de Afdeling van 4 oktober 2005 in de zaken nos. 200502526/1 (aangehecht) en 200504488/1 (JV 2005/445) werden reeds voor inwerkingtreding van WBV 2005/40 de criteria die in paragraaf B8/4 van de Vc 2000 zijn vermeld door de minister betrokken bij beantwoording van de vraag of de vrijstellingsgrond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 moet worden toegepast. In het besluit van 24 april 2006 is verwezen naar het in WBV 2005/40 vermelde beleid. Door te volstaan met een enkele verwijzing naar de beleidsregels waarin de reeds ten tijde van de aanvraag van de vreemdeling gevolgde vaste gedragslijn intussen was vastgelegd, heeft de minister, anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, niet gehandeld in strijd met artikel 4:82 van de Algemene wet bestuursrecht. De grief slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200700677/1.

Datum uitspraak: 19 juli 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 06/20720 en 06/20714 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 22 december 2006 in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2004 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 24 april 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 22 december 2006, verzonden op 27 december 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de Minister van Justitie (hierna: de minister) een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 24 januari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 6 februari 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, worden afgewezen, indien een vreemdeling niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) beschikt die overeenkomt met het verblijfsdoel, waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 niet afgewezen wegens het ontbreken van een mvv, indien die aanvraag een vreemdeling betreft voor wie het, gelet op diens gezondheidstoestand, niet verantwoord is om te reizen.

Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, afgewezen, indien een vreemdeling niet over een geldige mvv beschikt.

Ingevolge het vierde lid kan de minister het eerste lid buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (hierna: de hardheidsclausule).

Volgens paragraaf B1/2.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), ten tijde van belang en voor zover thans van belang, wordt in ieder geval geen zeer uitzonderlijk geval dat tot toepassing van de hardheidsclausule aanleiding geeft aangenomen, indien de desbetreffende vreemdeling stelt dat noodzakelijke, medische behandeling aan terugkeer, teneinde een mvv te verkrijgen, naar het land van herkomst in de weg staat, maar niet heeft aangetoond dat sprake is van een medische noodsituatie.

Volgens paragraaf B8/3.3 van de Vc 2000, ten tijde van belang, kan de hardheidsclausule worden toegepast, indien wordt voldaan aan de vereisten voor het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking "vanwege medische noodsituatie".

Bij de beoordeling van zodanige vergunningaanvraag wordt volgens paragraaf B8/4 van de Vc 2000, ten tijde van belang, de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het herkomstland niet betrokken.

Na inwerkingtreding van het Wijzigingsbesluit Vc 2000, no. 2005/40, (hierna: WBV 2005/40) op 19 augustus 2005 is aan paragraaf B1/1.2.1 van de Vc 2000 toegevoegd dat, voor zover thans van belang, omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst betreffen niet bij de beoordeling worden betrokken en hierbij wordt aangesloten bij paragraaf B8/4.

2.2. De minister klaagt in grief 1 onder meer dat de voorzieningenrechter ten onrechte is voorbijgegaan aan de reeds ten tijde van de aanvraag toegepaste beleidsregel dat de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst geen rol speelt.

2.3. Zoals blijkt uit de uitspraken van de Afdeling van 4 oktober 2005 in de zaken nos. 200502526/1 (aangehecht) en 200504488/1 (JV 2005/445) werden reeds voor inwerkingtreding van WBV 2005/40 de criteria die in paragraaf B8/4 van de Vc 2000 zijn vermeld door de minister betrokken bij beantwoording van de vraag of de vrijstellingsgrond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 moet worden toegepast. In het besluit van 24 april 2006 is verwezen naar het in WBV 2005/40 vermelde beleid. Door te volstaan met een enkele verwijzing naar de beleidsregels waarin de reeds ten tijde van de aanvraag van de vreemdeling gevolgde vaste gedragslijn intussen was vastgelegd, heeft de minister, anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, niet gehandeld in strijd met artikel 4:82 van de Algemene wet bestuursrecht. De grief slaagt.

2.4. Gelet hierop behoeft hetgeen overigens in het hoger beroepschrift is aangevoerd geen bespreking.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.6. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 22 december 2006 in zaak no. AWB 06/20714;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

Voorzitter

w.g. Graat

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2007

314/307

Verzonden: 19 juli 2007

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak