Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB1418

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
09-08-2007
Zaaknummer
200702874/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4401, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesbelang / ongewenstverklaring / intrekking verblijfsvergunning

Ingevolge artikel 67, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 kan de ongewenst verklaarde vreemdeling in afwijking van artikel 8 van die wet geen rechtmatig verblijf hebben.

De ongewenstverklaring van appellant duurde ten tijde hier van belang voort. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2006 in zaak no. 200510434/1 (JV 2006/347) vloeit voort dat appellant geen belang had bij het door hem ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het besluit tot ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de intrekking van de verblijfsvergunning, aangezien dat nimmer tot rechtmatig verblijf kon leiden. De rechtbank had om die reden dan ook het beroep in zoverre niet-ontvankelijk moeten verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200702874/1.

Datum uitspraak: 13 juli 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[Appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/48515 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 27 maart 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken en appellant ongewenst verklaard.

Bij besluit van 30 september 2005 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 maart 2007, verzonden op 29 maart 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 24 april 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 2 mei 2007 heeft de Staatssecretaris van Justitie een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ten aanzien van het hoger beroep tegen de uitspraak op het beroep, voor zover gericht tegen het besluit tot ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de ongewenstverklaring, wordt het volgende overwogen.

2.1.1. In grief 3 klaagt appellant, voor zover thans van belang, dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn beroepsgrond dat het besluit tot ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de ongewenstverklaring in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, aangezien sprake is van een ongerechtvaardigde inmenging in het recht op eerbiediging van zijn familie- en gezinsleven.

2.1.2. De rechtbank is, in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, niet ingegaan op deze beroepsgrond.

De grief slaagt.

2.2. Ten aanzien van het hoger beroep tegen de uitspraak op het beroep, voor zover gericht tegen het besluit tot ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de intrekking van de verblijfsvergunning, wordt ambtshalve het volgende overwogen.

2.2.1. Ingevolge artikel 67, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 kan de ongewenst verklaarde vreemdeling in afwijking van artikel 8 van die wet geen rechtmatig verblijf hebben.

2.2.2. De ongewenstverklaring van appellant duurde ten tijde hier van belang voort. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2006 in zaak no. 200510434/1 (JV 2006/347) vloeit voort dat appellant geen belang had bij het door hem ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het besluit tot ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de intrekking van de verblijfsvergunning, aangezien dat nimmer tot rechtmatig verblijf kon leiden. De rechtbank had om die reden dan ook het beroep in zoverre niet-ontvankelijk moeten verklaren.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen daartegen voor het overige is aangevoerd, behoeft geen bespreking.

De Afdeling zal de zaak voor zover het betreft het beroep, voor zover gericht tegen het besluit tot ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de ongewenstverklaring, met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep, voor zover gericht tegen het besluit tot ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de intrekking van de verblijfsvergunning, alsnog niet-ontvankelijk verklaren, nu niet is gebleken dat de ongewenstverklaring thans niet voortduurt.

2.4. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen.

De rechtbank dient omtrent de vergoeding van die kosten te beslissen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 27 maart 2007 in zaak no. AWB 05/48515;

III. wijst de zaak voor zover het betreft het beroep, voor zover gericht tegen het besluit tot ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de ongewenstverklaring, naar de rechtbank terug;

IV. verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit tot ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de intrekking van de verblijfsvergunning, niet-ontvankelijk;

V. stelt de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten;

VI. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

Voorzitter

w.g. Van Loo

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2007

418

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak