Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB1415

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2007
Datum publicatie
09-08-2007
Zaaknummer
200702778/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag verlening verblijfsvergunning regulier / middelenvereiste / middelen van bestaan van de vreemdeling

Niet in geschil is dat de minister de door de vreemdeling ingediende aanvraag om wijziging van de beperking van een aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd terecht als een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft beoordeeld. Dat, naar de rechtbank heeft overwogen, de vreemdeling reeds op basis van een verblijfsvergunning in Nederland heeft verbleven en niet ten laste van de openbare middelen komt, biedt geen grond voor het oordeel dat artikel 3.22 van het Vb 2000 dan niet van toepassing is. Evenmin blijkt dit uit de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.81 van het Vb 2000. Dat brengt met zich dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister, door in het besluit van 1 december 2005 de middelen van bestaan van de vreemdeling buiten beschouwing te laten, dat besluit onvoldoende heeft gemotiveerd.

De grief slaagt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:84
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.22
Vreemdelingenbesluit 2000 3.81
Vreemdelingenbesluit 2000 3.85
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/414

Uitspraak

200702778/1.

Datum uitspraak: 12 juli 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/656 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 22 maart 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister), voor zover thans van belang, een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om wijziging van de beperking van een aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.

Bij besluit van 1 december 2005 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 22 maart 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 april 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 4 mei 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De vreemdeling heeft in haar schriftelijke reactie van 4 mei 2007, onder verwijzing naar een brief van 26 januari 2007, betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet heeft onderbouwd dat zij zich binnen een redelijke termijn na de duurzame ontwrichting van haar huwelijk bij de vreemdelingenpolitie heeft gemeld om een aanvraag om wijziging van de aan haar verblijfsvergunning verbonden beperking in te dienen.

Zo zij hiermee heeft beoogd tegen dit oordeel van de rechtbank hoger beroep in te stellen, wordt, zoals de Afdeling eerder heeft gedaan (uitspraak van 15 november 2001 in zaak no. 200104765/1, AB 2002, 54), overwogen dat de wet geen grondslag biedt voor het instellen van incidenteel hoger beroep.

2.2. In de grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister - nu de vreemdeling eerder heeft beschikt over een verblijfsvergunning regulier en rechtmatig inkomsten uit arbeid heeft verkregen - zonder verdere motivering niet onverkort kan vasthouden aan de eis dat slechts de middelen van bestaan van degene bij wie de vreemdeling als gezinslid wil verblijven (hierna: de referent) een rol kunnen spelen bij de vaststelling of aan het middelenvereiste wordt voldaan. Daartoe betoogt de staatssecretaris dat, voor zover thans van belang, de rechtbank heeft miskend dat artikel 3.85, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), waarin is bepaald dat een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een aan een vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet wordt afgewezen, indien de vreemdeling en de referent gezamenlijk zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikken, in artikel 3.81 van het Vb 2000 niet van overeenkomstige toepassing is verklaard, zodat de hoofdregel van artikel 3.22 van het Vb 2000 onverkort van toepassing is.

2.2.1. Niet in geschil is dat de minister de door de vreemdeling ingediende aanvraag om wijziging van de beperking van een aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd terecht als een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft beoordeeld. Dat, naar de rechtbank heeft overwogen, de vreemdeling reeds op basis van een verblijfsvergunning in Nederland heeft verbleven en niet ten laste van de openbare middelen komt, biedt geen grond voor het oordeel dat artikel 3.22 van het Vb 2000 dan niet van toepassing is. Evenmin blijkt dit uit de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.81 van het Vb 2000. Dat brengt met zich dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister, door in het besluit van 1 december 2005 de middelen van bestaan van de vreemdeling buiten beschouwing te laten, dat besluit onvoldoende heeft gemotiveerd.

De grief slaagt.

2.3.Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het in beroep bestreden besluit beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.3.1. Voor zover de vreemdeling heeft betoogd dat, gezien de door haar in beroep overgelegde brief van 10 januari 2006, de referent vanaf 28 januari 2006 zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt, kan deze grond, gelet op de in het bestuursrecht gebruikelijke toetsing van besluiten op grond van de feiten en omstandigheden die voorliggen ten tijde van dat besluit, niet tot vernietiging van het besluit van 1 december 2005 leiden.

2.3.2. Voorts faalt het betoog van de vreemdeling dat de minister, wegens het belang van haar werkgever en de Nederlandse economie bij haar voortgezet verblijf hier te lande, ten onrechte niet van het beleid is afgeweken. Nu in de vreemdelingenwetgeving en het bij de toepassing daarvan gevoerde beleid is voorzien in een specifieke beperking met betrekking tot het verrichten van arbeid in loondienst en de door de vreemdeling gestelde omstandigheden onder deze beperking vallen, zijn dat geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die verband houdt met de door de vreemdeling gestelde omstandigheden dient derhalve een daartoe strekkende aanvraag te worden ingediend.

2.3.3. Ten slotte heeft de vreemdeling, onder verwijzing naar artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, betoogd dat de minister bij de belangenafweging heeft miskend dat zij bij terugkeer naar Suriname geen gezinsleven meer met de referent heeft.

2.3.4. In het besluit van 1 december 2005 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de hiervoor bedoelde belangenafweging in het nadeel van de vreemdeling

uitvalt. Daarbij heeft hij gewicht toegekend aan het feit dat de vreemdeling en de referent het gezinsleven elders kunnen beleven, alsmede dat, nu het niet onmogelijk is dat de referent binnen afzienbare termijn aan de voorwaarden voor gezinsvorming voldoet, geen sprake is van een uitzichtloze situatie.

2.3.5. Voor het oordeel dat de minister zich niet op dat standpunt heeft mogen stellen, geeft het in beroep aangevoerde geen grond.

2.3.6. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin doet zich de situatie voor dat het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, onverbrekelijk samenhangen met hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

2.3.7. De conclusie is dat het inleidende beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond moet worden verklaard.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 22 maart 2007 in zaak no. AWB 06/656;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

Voorzitter

w.g. Hazen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2007

452

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak