Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB1319

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2007
Datum publicatie
08-08-2007
Zaaknummer
200700275/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 november 2005 heeft appellante (hierna: de hoofddirectie) het verzoek van [wederpartij] om de titel doctorandus (afgekort tot drs.) te mogen voeren, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200700275/1.

Datum uitspraak: 8 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. WHW 06/670 van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2006 in het geding tussen:

[wederpartij],

en

appellante.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2005 heeft appellante (hierna: de hoofddirectie) het verzoek van [wederpartij] om de titel doctorandus (afgekort tot drs.) te mogen voeren, afgewezen.

Bij besluit van 18 januari 2006 heeft de hoofddirectie het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 december 2006, verzonden op 20 december 2006, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de hoofddirectie met inachtneming van hetgeen in rubriek 2.3 van de uitspraak is overwogen een nieuw besluit neemt op het door [wederpartij] tegen het besluit van 15 november 2005 gemaakte bezwaar. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de hoofddirectie bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 26 januari 2007 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juli 2007, waar de hoofddirectie, vertegenwoordigd door mr. F. Hummel-Fekkes, juridisch medewerker bij de afdeling SOC (Beroep) van de Informatie Beheer Groep (hierna: de IB-Groep), en [wederpartij], in persoon en bijgestaan door A. de Vogel, juridisch adviseur te Haarlem, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 7.23, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) is degene aan wie op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend en die gerechtigd is die graad in het desbetreffende land in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, eveneens gerechtigd die graad in Nederland in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen op dezelfde wijze als in het desbetreffende land.

   Ingevolge het derde lid van dat artikel, voor zover thans van belang, kan de IB-Groep aan degene aan wie op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend, toestaan in de plaats van die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen in Nederland één van de titels, genoemd in artikel 7.20, te voeren, indien de opleiding op grond waarvan die andere graad is verleend, naar het oordeel van de IB-Groep ten minste gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding.

2.2.    Ter invulling van de beleids- en beoordelingsvrijheid die de IB-Groep op grond van artikel 7.23, derde lid, van de WHW toekomt, is de beleidsregel Verzoeken tot het voeren van Nederlandse titulatuur op grond van een buitenlandse opleiding (Stcrt. 2005, 150, hierna: de beleidsregel) vastgesteld. Blijkens de toelichting op de Beleidsregel hanteert de IB- Groep als vaste gedragslijn dat de gelijkwaardigheid van een opleiding aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs wordt vastgesteld aan de hand van het eindniveau van de opleiding, met als weegfactoren de vooropleidingsvereisten, de nominale studieduur en de nominale studieomvang.

2.3.    [wederpartij] heeft op 21 oktober 2005 aan de hoofddirectie gevraagd de Nederlandse titel doctorandus (drs.) te mogen voeren op grond van de door haar in de Oekraïne gevolgde universitaire opleiding Geneeskunde. In de beslissing op bezwaar van 18 januari 2006 heeft de hoofddirectie zich op het standpunt gesteld dat de door [wederpartij] gevolgde opleiding niet gelijkwaardig kan worden beschouwd aan de Nederlandse opleiding tot arts. Daaraan heeft de hoofddirectie het advies van de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het Hoger Onderwijs (hierna: de NUFFIC) van 15 november 2005 ten grondslag gelegd, waaruit blijkt dat het Oekraïense universitaire onderwijs een lager aanvangsniveau kent dan het Nederlandse universitaire onderwijs. Volgens de NUFFIC dient het door [wederpartij] behaalde eindniveau te worden vergeleken met vier jaar universitair onderwijs in de richting geneeskunde in Nederland. De hoofddirectie heeft voorts niet relevant geacht dat [wederpartij] na haar universitaire opleiding tot arts nog een tweejarige specialisatie heeft gevolgd tot gynaecoloog, nu het gaat om een specialisatie binnen het vakgebied van de geneeskunde en niet om een opleiding binnen de brede, algemene opleiding tot arts zoals die tijdens de zesjarige universitaire opleiding in Nederland wordt gegeven. Volgens de hoofddirectie is het door [wederpartij] gevolgde traject, inclusief de specialisatie tot gynaecoloog, dan ook onvoldoende vergelijkbaar en overeenkomstig met een algehele Nederlandse masteropleiding tot arts. Ten slotte heeft de hoofddirectie zich op het standpunt gesteld dat [wederpartij] niet heeft weerlegd dat de door haar gevolgde opleiding niet vergelijkbaar is met de Nederlandse opleiding tot arts, omdat door haar geen wetenschappelijke scriptie is geschreven.

2.4.    De rechtbank heeft het door [wederpartij] tegen het besluit van 18 januari 2006 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daartoe heeft zij allereerst overwogen dat de hoofddirectie onvoldoende heeft onderbouwd dat het niet zelfstandig verrichten van wetenschappelijk onderzoek, uitmondend in het schrijven van een scriptie, in de weg staat aan het verlenen van de doctorandustitel. Volgens de rechtbank is onweersproken dat er tenminste één Nederlandse universiteit is die het scriptievereiste niet stelt, zodat van een dwingende voorwaarde geen sprake lijkt. Voorts valt volgens de rechtbank niet in te zien waarom de hoofddirectie gevolgd zou moeten worden in haar stelling dat de opleiding tot gynaecoloog die [wederpartij] in de Oekraïne heeft genoten, niet meegewogen moet worden bij de beoordeling van het verzoek tot het voeren van de titel doctorandus. Daarbij heeft de rechtbank gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2003 in zaak no. 200301272/1 waaruit volgens de rechtbank volgt dat de waardering van de buitenlandse opleiding zich niet mag beperken tot een beschrijving en typering van dat buitenlands hoger onderwijs in het algemeen, doch dat deze moet worden gebaseerd op een waardering van alle door [wederpartij] voltooide opleidingen in het bijzonder. De rechtbank is gelet op het vorenstaande tot de conclusie gekomen dat het besluit van 18 januari 2006 ondeugdelijk is gemotiveerd en mitsdien in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5.    De hoofddirectie betoogt dat de rechtbank de voormelde uitspraak van de Afdeling van 24 december 2003 onjuist heeft geïnterpreteerd. Volgens de hoofddirectie heeft de rechtbank miskend dat de vergelijking niet moet worden gebaseerd op alle door de aanvrager voltooide opleidingen, doch dat de vergelijking in het bijzonder de door de aanvrager voltooide opleiding - op grond waarvan hij zijn titel heeft verkregen - moet betreffen.

2.5.1.    Dit betoog slaagt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2003 in zaak nummer 200301272/1 valt - anders dan de rechtbank heeft overwogen - niet af te leiden dat in het kader van de op grond van artikel 7.23, derde lid, van de WHW te maken vergelijking alle door de buitenlandse aanvrager gevolgde opleidingen, derhalve ook de door [wederpartij] gevolgde specialisatie tot gynaecoloog, moeten worden gewaardeerd. In die uitspraak heeft de Afdeling het onjuist geoordeeld dat de IB-groep de in artikel 7.23, derde lid, van de WHW bedoelde vergelijking vooral had gebaseerd op het niveau van Russische vooropleidingen en het door de aanvrager gevolgde postdoctorale onderwijs en dat de IB-groep - voor zover de opleiding op grond waarvan de aanvrager in het buitenland een bepaalde titel was verleend al in een vergelijking was betrokken - had volstaan met een beschrijving en typering van het buitenlandse onderwijs in het algemeen in plaats van een waardering van de door appellant voltooide opleiding in het bijzonder. In die uitspraak heeft de Afdeling evenwel geen oordeel gegeven over de vraag of gevolgd postdoctoraal onderwijs kon worden meegewogen.

   Niet in geschil is dat de door [wederpartij] in de Oekraïne gevolgde opleiding dient te worden vergeleken met de Nederlandse opleiding geneeskunde, op grond waarvan men in Nederland gerechtigd is de titel doctorandus te voeren. Een specialisatie gynaecologie leidt in Nederland niet tot de titel doctorandus, doch is een opleiding die wordt gevolgd na de (algemene) opleiding geneeskunde. Gelet hierop, heeft de hoofddirectie zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een in de Oekraïne gevolgde specialisatie tot gynaecoloog niet kan worden meegenomen in de beoordeling of aan [wederpartij] de titel doctorandus kan worden verleend. In zoverre is van een ondeugdelijke motivering van de beslissing op bezwaar geen sprake.

2.6.    Gelet op het vorenoverwogene, is het hoger beroep gegrond. Nu aan de vernietiging door de rechtbank van het besluit van 18 januari 2006 eveneens ten grondslag ligt dat de hoofddirectie onvoldoende heeft onderbouwd dat het niet schrijven van een scriptie in de weg staat aan het verlenen van de doctorandustitel en de hoofddirectie dit oordeel van de rechtbank in hoger beroep niet heeft bestreden, dient in zoverre in rechte van de juistheid van het oordeel van de rechtbank dat de beslissing op bezwaar niet wordt gedragen door een deugdelijke motivering te worden uitgegaan. Gelet hierop, dient de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop zij rust, te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak met verbetering van de gronden waarop zij rust.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. van den Brink, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Van den Brink

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2007

435