Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB1311

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2007
Datum publicatie
08-08-2007
Zaaknummer
200700995/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wester-Koggenland, thans Koggenland, (hierna: het college) het door appellant tegen de weigering hem via de rechtbank Alkmaar alle relevante documenten toe te sturen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200700995/1.

Datum uitspraak: 8 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. WOB 06/2150 van de rechtbank Alkmaar van 21 december 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Wester-Koggenland, thans Koggenland.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wester-Koggenland, thans Koggenland, (hierna: het college) het door appellant tegen de weigering hem via de rechtbank Alkmaar alle relevante documenten toe te sturen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 21 december 2006, verzonden op 22 december 2006, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 29 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 maart 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk van appellant ontvangen. Dit is aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juli 2007, waar appellant in persoon, bijgestaan door zijn [echtgenote], is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 31 maart 2006 heeft appellant beroep ingesteld tegen de handhaving in bezwaar van een aan [vergunninghouder] verleende vrijstelling en bouwvergunning. In het bij de rechtbank ingediende beroepschrift heeft hij onder meer de gemeente verzocht alle relevante documenten met betrekking tot deze bouwvergunning en vrijstelling aan de rechtbank te verstrekken. Hij heeft vervolgens op 7 mei 2006 via de rechtbank bezwaar gemaakt tegen de weigering van het college om via de rechtbank alle relevante documenten aan hem toe te sturen.

Het besluit van 20 juni 2006 is gebaseerd op de overweging dat het verzoek van appellant pas op 15 mei 2006 bij het college is binnengekomen en ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift geen besluit bestond,  waartegen door appellant bezwaar kon worden gemaakt.

2.2.    De rechtbank heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, nu niet is gebleken dat de haar toegestuurde stukken niet compleet waren, het college volledig aan het verzoek van appellant - daargelaten hoe dit moet worden geduid - tegemoet is gekomen, appellant ten tijde van het instellen van het beroep daarbij geen belang had en dat daarom niet-ontvankelijk is.

2.3.    Het verzoek van appellant om toezending van alle relevante stukken aan de rechtbank strekten tot het verrichten van een feitelijke handeling ter naleving van de in artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) geregelde verplichting. Nu de afwijzing van dat verzoek om die reden geen besluit, als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, inhield, heeft het college het door appellant gemaakte bezwaar terecht, zij het niet op de juiste gronden, niet-ontvankelijk verklaard en heeft de rechtbank het door deze daartegen ingestelde beroep ten onrechte niet ongegrond verklaard.

2.4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep ongegrond verklaren.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 21 december 2006 in zaak no. WOB 06/2150;

III.    verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV.    gelast dat de gemeente Koggenland aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 211,00 (zegge: tweehonderdelf euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb     w.g. Mathot

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2007

419.