Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB1302

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2007
Datum publicatie
08-08-2007
Zaaknummer
200609244/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) appellanten onder het opleggen van een dwangsom gelast de in het bijgebouw op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) aanwezige woontechnische voorzieningen, te weten de aangebrachte tussenwanden, de constructie ter ophanging van het hangtoilet (inclusief stortbak en het onklaar maken van de afvoer van het toilet) en de douchebak, te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200609244/1.

Datum uitspraak: 8 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. 06/1809 en 06/1810 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 2 november 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) appellanten onder het opleggen van een dwangsom gelast de in het bijgebouw op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) aanwezige woontechnische voorzieningen, te weten de aangebrachte tussenwanden, de constructie ter ophanging van het hangtoilet (inclusief stortbak en het onklaar maken van de afvoer van het toilet) en de douchebak, te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 27 juli 2005 (lees 2006) heeft het college het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 november 2006, verzonden op 18 december 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 22 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 februari 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellanten. Dit is aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2007, waar appellanten, in persoon en bijgestaan door mr. I.E. Nauta, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door G.L. ter Brugge, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een bouwvergunning.

   Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, is geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als bouwen van beperkte betekenis.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: het Bblb), voor zover hier van belang, wordt als bouwen van beperkte betekenis aangemerkt het aanbrengen van een verandering van niet-ingrijpende aard aan een bestaand bouwwerk mits het bestaande niet-wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd.

2.2.    Bij besluit van 4 juni 2004 is aan appellanten bouwvergunning verleend voor onder meer de bouw van een vrijstaand bijgebouw voor gebruik als garage/berging op het perceel. Bij besluiten van 4 november 2004 en 10 maart 2005 is deze vergunning gewijzigd ten behoeve van een andere uitvoering van het bouwplan.

2.3.    Bij besluit van 31 maart 2006 heeft het college appellanten medegedeeld te hebben geconstateerd dat de door hen in afwijking van de bouwvergunning en wijzigingsvergunningen aangebrachte woontechnische voorzieningen gedeeltelijk zijn verwijderd, te weten het keukenblok (inclusief toebehoren), de wastafel (inclusief toebehoren), de douchekop en kranen en toiletpot, en appellanten gelast de in het bijgebouw nog aanwezige woontechnische voorzieningen, te weten de in afwijking van genoemde vergunningen aangebrachte tussenwanden, de constructie ter ophanging van het hangtoilet (inclusief stortbak en onklaar maken van afvoer van het toilet) en de douchebak te verwijderen en verwijderd te houden.

2.4.    Aan de hand van de ter zitting getoonde bouwtekeningen behorende bij genoemde vergunningen stelt de Afdeling vast dat appellanten, zonder dat daarvoor bouwvergunning is verleend, in het bijgebouw een keukenblok, een douchebak en tussenwanden hebben geplaatst, alsmede op een andere plaats in het bijgebouw dan waar op de bouwtekening de aansluitpunten daarvoor staan vermeld, derhalve in afwijking van genoemde vergunningen, een toilet en een wastafel hebben geplaatst. Daarmee was het bijgebouw voorzien van de essentiële onderdelen die zijn benodigd voor gebruik als zelfstandige woning, waarvoor appellanten het bijgebouw ook hebben gebruikt. De voorzieningenrechter heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat de zonder, onderscheidenlijk in afwijking van de vergunningen ten behoeve van bewoning van het bijgebouw aangebrachte en ten tijde van de aanschrijving nog aanwezige bouwkundige voorzieningen niet kunnen worden aangemerkt als veranderingen van niet-ingrijpende aard waarvoor geen bouwvergunning is vereist. De omstandigheid dat appellanten dat gebruik hebben gestaakt en, naar zij stellen, niet voornemens zijn het bijgebouw opnieuw als woning in gebruik te (laten) nemen, doet daaraan niet af, nu het bijgebouw met de nog aanwezige tussenwanden en voorzieningen ten behoeve van toilet en douchegelegenheid op eenvoudige wijze weer als woonruimte in gebruik kan worden genomen.

2.5.    De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 40 van de Woningwet, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6.    Het geldende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in onderdelen Berg en Bos" biedt geen grondslag voor legalisering. Het perceel heeft daarin de bestemming "eengezinswoningen". Volgens artikel 2, eerste lid, voor zover thans van belang, van de bij dit plan behorende bebouwingsvoorschriften is een bijgebouw een vrijstaand gebouw dat een eenheid vormt met en dienstbaar (ondergeschikt) is aan het hoofdgebouw, zoals een garage, een bergruimte en dergelijke. Het aanbrengen van bouwkundige voorzieningen ten behoeve van gebruik als woonruimte is daarmee in strijd.

2.7.    Het geschil spitst zich toe op de vraag of de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bijgebouw met enkel nog een toilet en tussenwanden op eenvoudige wijze als woning in gebruik kan worden genomen en appellanten ook deze bouwkundige voorzieningen dienen te verwijderen. Volgens appellanten is de voorzieningenrechter er ten onrechte aan voorbijgegaan dat in de bij de bouwvergunning behorende bouwtekening aansluitpunten voor een toilet en een wasbak zijn vermeld en deze bouwkundige voorzieningen daarmee zijn vergund en dat het college ter zitting bij de rechtbank heeft gesteld dat een toilet en tussenwanden in een bijgebouw gebruikelijke voorzieningen zijn, waarvoor vergunning kan worden verleend.

2.8.    Het betoog slaagt. Tussen partijen is niet in geschil dat, anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, het college appellanten vooraf, in maart 2005, toestemming heeft gegeven om de woontechnische voorzieningen in het bijgebouw aan te brengen en het bijgebouw vervolgens als noodwoning te gebruiken, in afwachting van het gereedkomen van de op het perceel te bouwen woning. Eind september 2005 zijn appellanten verhuisd naar deze nieuwe woning en hebben zij het gebruik van het bijgebouw als woning beëindigd. Nadat het college bij brief van 3 oktober 2005 aan appellanten de met hen tijdens een gesprek op 26 september 2005 gemaakte afspraken over verwijdering van de woontechnische voorzieningen heeft bevestigd, hebben appellanten het keukenblok, de wastafel, de douchekop, de kranen en de toiletpot verwijderd. Onder deze omstandigheden en in aanmerking genomen dat op de bij de bouwvergunning behorende bouwtekening aansluitpunten staan vermeld voor een toilet, een fontein en een gootsteen, zij het op een andere plaats dan waar deze zijn aangebracht, alsmede dat, zoals ook door het college ter zitting is bevestigd, een toilet en tussenwanden in een bijgebouw geen ongebruikelijke voorzieningen zijn, heeft het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval, waar van illegale bewoning geen sprake is, alle bouwkundige voorzieningen die met toestemming van het college zijn aangebracht ten behoeve van het tijdelijke gebruik van het bijgebouw als woning dienen te worden verwijderd. Daarbij wijst de Afdeling erop dat het besluit waarop de door het college ter zitting genoemde uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2003 in zaak nr. 200204924/1 ziet, er juist toe strekte dat de bij dat besluit gehandhaafde aanschrijving geen betrekking (meer) had op het in het betreffende bijgebouw aanwezige toilet. Voor zover de last strekt tot het verwijderen van het toilet en de tussenwanden, is deze, naar het oordeel van de Afdeling bij afweging van de betrokken belangen, onevenredig bezwarend voor appellanten. Het besluit op bezwaar tot handhaving van die last is derhalve in strijd met artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.9.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit op bezwaar vernietigen. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

2.10.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 2 november 2006 in zaak nos. 06/1809 en 06/1810;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn van 27 juli 2005 (lees 2006), kenmerk Pd/JAV/LZ, 003755399;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.505,80 (zegge: vijftienhonderdvijf euro en tachtig cent), waarvan een gedeelte groot € 1.420,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door gemeente Apeldoorn aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat gemeente Apeldoorn aan appellanten het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 352,00 (zegge: driehonderdtweeënvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.C.K.W. Bartel en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk   w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2007

71