Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB1284

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2007
Datum publicatie
08-08-2007
Zaaknummer
200700065/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne (hierna: het college) geweigerd vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van hekwerken en het realiseren van een paardenbak op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 40
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/586
ABkort 2007/451

Uitspraak

200700065/1.

Datum uitspraak: 8 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. WRO 06/2777 van de rechtbank Rotterdam van 22 november 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne (hierna: het college) geweigerd vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van hekwerken en het realiseren van een paardenbak op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 mei 2006 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 november 2006, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 2 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 3 januari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 15 februari 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2007, waar appellant in persoon, en het college vertegenwoordigd door mr. N.J.H.M. Slaats, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant heeft op 11 oktober 2005 een bouwvergunning gevraagd voor het oprichten van hekwerken op het perceel, met een hoogte van 1,50 m evenwijdig aan de perceelgrens langs de Duinzoom, met een hoogte van 1,50 m ten behoeve van een paardenbak en met een hoogte van 1,25 m ten behoeve van weidegang van paarden op het perceel.

2.2.    Van toepassing is het bestemmingsplan "Landelijk gebied Oostvoorne" (hierna: het bestemmingsplan). Ingevolge het bestemmingsplan  geldt voor het perceel de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" met de subbestemming "Mo".

   Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor maatschappelijke doeleinden ter plaatse van de subbestemming "Mo" bestemd voor een onderzoeksinstituut.

   Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mogen met inachtneming van lid 1 uitsluitend gebouwen, dienstwoningen met bijbehorende bijgebouwen, alsmede bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd.

   Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder g, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen voor de bouw van 1 paardenbak per woning met een oppervlakte van ten hoogste 800 m², ten dienste van hobbymatig gebruik door de gebruiker van de woning. De hoogte van de bij de paardenbak behorende hekken mag ten hoogste 1,50 m bedragen.

2.3.    In 1998 is vrijstelling verleend om het onderzoeksinstituut op het perceel geschikt te maken voor bewoning.

2.4.    Ter zitting heeft het college desgevraagd toegelicht dat de aanvraag voor de paardenbak is getoetst aan de binnenplanse vrijstellingsbevoegdheid ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder g, van de planvoorschriften en dat de aanvraag voor de hekwerken evenwijdig aan de perceelsgrens en de hekwerken ten behoeve van de weidegang is getoetst aan de bevoegdheid tot vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

2.5.    Ter zitting heeft appellant erkend dat de voorgevel van zijn woning zich aan de Duinzoom bevindt. Voor zover appellant heeft willen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat een deel van de hekwerken bouwvergunningvrij kan worden opgericht treft dit betoog geen doel. De rechtbank is tot het juiste oordeel gekomen dat het college het bouwen van de hekwerken waarvoor de vergunning is aangevraagd (als geheel) regulier vergunningplichtig heeft aangemerkt.

2.6.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (onderzoeksinstituut)" een belemmering vormt voor het meest doelmatige gebruik van het perceel. Bij toetsing van het bouwplan moet volgens appellant worden uitgegaan van de bestemming "Wonen" aangezien dat de meest doelmatige bestemming van het perceel is.

2.6.1.    Dit betoog faalt. De rechtbank is tot het juiste oordeel gekomen dat de in het verleden verleende vrijstelling om het onderzoeksinstituut geschikt te maken voor bewoning, geen wijziging van de bestemming inhoudt. Het oprichten van de hekwerken en de paardenbak strekt niet ten dienste van de op het perceel rustende subbestemming "Maatschappelijke doeleinden (onderzoeksinstituut)" maar dient voor het hobbymatig houden van paarden, hetgeen in strijd is met deze bestemming.

   Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 7 februari 2007, in zaak nr. 200605111/1, kan toepassing van de zogenoemde toverformule niet leiden tot verlening van bouwvergunningen. De rechtbank is dan ook tot het juiste oordeel gekomen dat het beroep van appellant op de in artikel 26, vijfde lid, van de planvoorschriften neergelegde toverformule, die een vrijstellingsmogelijkheid biedt voor het gebruik van het perceel in strijd met het bestemmingsplan, niet kan leiden tot verlening van bouwvergunning voor het oprichten van de hekwerken in strijd met het bestemmingsplan.

   Dit geldt eveneens voor het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat  het college vrijstelling had behoren te verlenen voor de paardenbak, omdat het oefenen met paarden in een paardenbak het meest doelmatige gebruik van het perceel is.

2.7.    Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het college de vergunningaanvraag had moeten aanhouden omdat de  gemeenteraad van Oostvoorne een voorbereidingsbesluit heeft genomen voor het gebied waarin het perceel is gelegen treft evenmin doel.

2.7.1.    Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Woningwet, houden burgemeester en wethouders, in afwijking van artikel 46, eerste lid, de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning aan indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en voor het gebied, waarin het bouwwerk zal worden uitgevoerd, voordat de aanvraag is ingekomen een voorbereidingsbesluit, als bedoeld in artikel 21 van de WRO in werking is getreden, een ontwerp voor een bestemmingsplan of voor een herziening daarvan ter inzage is gelegd, een bestemmingsplan of een herziening daarvan is vastgesteld, dan wel een bestemmingsplan of een herziening daarvan na vaststelling ter inzage is gelegd.

   De rechtbank is tot het juiste oordeel gekomen dat, nu het bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan, niet is voldaan aan de voorwaarde in artikel 50, eerste lid, van de Woningwet dat er geen grond is de vergunning te weigeren.

2.8.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bij gebruikmaking van zijn vrijstellingsbevoegdheid mocht toetsen aan toekomstig planologisch beleid. In dit verband stelt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat ten tijde van zijn aanvraag geen sprake was van een (voorontwerp) bestemmingsplan op grond waarvan paardenbakken niet zijn toegestaan, aangezien dit verbod pas is opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan "Landelijk gebied Westvoorne" dat sinds 21 december 2006 ter inzage ligt.

2.8.1.    Dit betoog faalt. Het verlenen van een binnenplanse vrijstelling is een bevoegdheid van het college. De rechtbank is tot het juiste oordeel gekomen dat het college bij het gebruikmaken van deze bevoegdheid bij de belangenafweging het toekomstig planologisch regime mag betrekken. In de Nota van uitgangspunten "Landelijk gebied" (hierna: Nota van uitgangspunten) is opgenomen dat nieuwe paardenbakken bij burgerwoningen niet meer zijn toegestaan. Deze nota is opgesteld in verband met de voorbereiding van het bestemmingsplan "Landelijk gebied Westvoorne", in welk plangebied het perceel is gelegen. Het college heeft met deze nota ingestemd op 1 maart 2005. In het voorontwerp bestemmingsplan "Landelijk gebied Westvoorne", van 19 oktober 2005 is de algemene vrijstellingsbevoegdheid voor paardenbakken die voor het plangebied op grond van het huidige bestemmingsplan van toepassing is, niet opgenomen. De toelichting op dit voorontwerp vermeldt eveneens dat nieuwe paardenbakken bij burgerwoningen niet zijn toegestaan.  Onder deze omstandigheden heeft het college in redelijkheid van toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid voor paardenbakken kunnen afzien. Uit de omstandigheid dat in de zesde herziening van het bestemmingsplan, die kort na de aanvraag voor de bouwvergunning van 11 oktober 2005, op 27 oktober 2005 is vastgesteld, de vrijstellingsbepaling nog niet is vervallen, kan niet worden afgeleid dat het college het uitgangspunt om geen gebruik meer te maken van de vrijstellingsbevoegdheid zou hebben verlaten. Zoals hiervoor is overwogen is immers in het voorontwerp bestemmingsplan Westvoorne van 19 oktober 2005 de vrijstellingsbevoegdheid niet meer opgenomen.

2.9.    Appellant betoogt voorts dat het college, omdat het bouwvergunning heeft verleend voor de bouw van de paardenstal, gehouden was ook bouwvergunning te verlenen voor de paardenbak en de hekwerken ten behoeve van de weidegang van de paarden.

2.9.1.    Dit betoog treft geen doel. Aan het besluit tot vergunningverlening  voor het veranderen van een bestaande paardenschuur in een paardenstal heeft appellant niet het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen ontlenen dat ook voor andere bouwwerken ten behoeve van het houden van paarden bouwvergunning zou worden verleend. Bovendien is het besluit van 31 januari 2006 tot weigering van de bouwvergunning bij brief van 6 februari 2006 aan appellant verzonden, derhalve voor het besluit van 9 februari 2006 tot verlening van de bouwvergunning van de paardenstal.

2.10.    Voorts kan het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel niet slagen nu de vrijstelling voor de bouw van een paardenbak waar hij op doelt op 30 december 2002 is verleend, derhalve vóór het sedert 1 maart 2005 door het college gevoerde beleid ter zake. Van een gelijk geval is dus geen sprake.

2.11.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Van Driel

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2007

270-544.