Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB1278

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-08-2007
Datum publicatie
08-08-2007
Zaaknummer
200607747/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2003 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) aan [wederpartijen] (hierna tezamen in enkelvoud: [wederpartij)] een bouwvergunning verleend voor de bouw van een agrarische bedrijfswoning en een agrarisch bedrijfsgebouw op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Brielle (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200607747/1.

Datum uitspraak: 8 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Brielle

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak no. WW44 06/1613 van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2006 in het geding tussen:

[wederpartijen], wonend te [woonplaats],

en

appellant sub 1.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2003 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) aan [wederpartijen] (hierna tezamen in enkelvoud: [wederpartij)] een bouwvergunning verleend voor de bouw van een agrarische bedrijfswoning en een agrarisch bedrijfsgebouw op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Brielle (hierna: het perceel).

Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft het college het daartegen door [appellant sub 2] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 augustus 2005, verzonden op 16 augustus 2005, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant sub 2] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 oktober 2004 vernietigd en bepaald dat het college een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van die uitspraak.

Bij besluit van 9 maart 2006 heeft het college, opnieuw beslissend, het door [appellant sub 2] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en alsnog geweigerd aan [wederpartij] een bouwvergunning te verlenen voor de agrarische bedrijfswoning en het agrarisch bedrijfsgebouw.

Bij uitspraak van 19 september 2006, verzonden op 27 september 2006, heeft de rechtbank Rotterdam het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 9 maart 2006 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief van 23 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 24 oktober 2006, en [appellant sub 2] bij brief van 6 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 5 december 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 6 februari 2007 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [wederpartij]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2007, waar het college, vertegenwoordigd door L.T.H. Schmetz, ambtenaar van de gemeente, en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. P.E. Lucassen en mr. J.S. Kalisvaart, advocaten te Rotterdam, zijn verschenen. Voorts is verschenen W.C. [wederpartij 2], bijgestaan door mr. F.J. de Valck, advocaat te Rotterdam.

2.    Overwegingen

2.1.    Het agrarisch bedrijfsgebouw (hierna: de loods) heeft een omvang van 240 m2 en strekt ter vervanging van een bestaande loods. Voorafgaande aan de indiening van de aanvraag om bouwvergunning, heeft de DCMR Milieudienst Rijnmond (hierna: de DCMR) op verzoek van [wederpartij 1] aan het college, bij brief van 6 juli 2000, advies uitgebracht met betrekking tot een bouwaanvraag voor een bedrijfswoning en een bedrijfsloods. Dat plan betrof de oprichting van dezelfde loods als thans aan de orde, maar deze was daarbij op een andere plaats op het perceel voorzien.

2.2.    Ingevolge het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Zwartewaal" (hierna: het bestemmingsplan), voor zover thans van belang, rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden".

   Ingevolge artikel 10, achtste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften winnen burgemeester en wethouders alvorens omtrent het verlenen van een bouwvergunning of vrijstelling te beslissen schriftelijk advies in bij de agrarische deskundige met betrekking tot de vraag of het bouwplan in overeenstemming is met de toegelaten bedrijfsvoering en voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is, een en ander gelet op:

- aard en inrichting van het bedrijf;

- mate van mechanisatie;

- omvang van het bedrijf naar oppervlakte en SBE's;

- al of niet verspreide ligging van de bedrijfsgronden;

- de continuïteit van het bedrijf;

- (hoofd-)beroep van de aanvrager en het al dan niet hebben van een volledige dagtaak in het bedrijf;

- de aanwezigheid van bedrijfsgebouwen.

2.3.    Het college heeft, met verwijzing naar een advies van de DCMR van 18 november 2005 (hierna: het advies), de bouwvergunning geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan. Volgens het advies is aan de hand van de "Handleiding agrarische bouwaanvragen en aanlegvergunningen", uitgegeven door de provincie Zuid-Holland (hierna: de handleiding), berekend dat voor een doelmatige bedrijfsvoering van het bedrijf dat [wederpartij] op het perceel voert, niet een loods met een omvang van 240 m2 noodzakelijk is maar een loods met een omvang van 80 m2.

2.4.    Het college en [appellant sub 2] keren zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het advies wat betreft de wijze van totstandkoming of inhoud zodanige gebreken vertoont, dat het college de weigering daarop niet mocht baseren. Zij voeren aan dat de rechtbank daaraan ten onrechte ten grondslag heeft gelegd dat bij [wederpartij 2] naar aanleiding van de bouwaanvraag niet opnieuw persoonlijk inlichtingen over de bedrijfsvoering zijn ingewonnen. Volgens hen was daarvoor geen aanleiding omdat de relevante feiten en omstandigheden ten opzichte van het in 2000 door de DCMR uitgebrachte advies niet zijn gewijzigd en [wederpartij 2] daarbij reeds is gehoord. Voorts voert het college aan dat de DCMR slechts [wederpartij 1] behoorde te raadplegen omdat alleen hij om het destijds uitgebrachte advies had gevraagd.

2.4.1.    De betogen falen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat niet tot besluitvorming had behoren te zijn overgegaan vooraleer ook [wederpartij 2] om nadere informatie te vragen omdat hij de feitelijke bedrijfsvoering op zich heeft genomen, hij aldus relevante informatie kon verschaffen over de continuïteit van het bedrijf, zijn (hoofd-)beroep en het al dan niet hebben van een volledige dagtaak in het bedrijf, welke gegevens ingevolge artikel 10, achtste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften relevant zijn voor de beoordeling van die bouwaanvraag. De rechtbank heeft daarbij terecht betekenis gehecht aan een gesprek dat vertegenwoordigers van het college met [wederpartij 2] en de adviseur van [wederpartij], ing. J.J.M. Braat, op 3 februari 2006 hebben gehad, waarin de laatstgenoemden te kennen hebben gegeven dat bij de voorbereiding van het advies ten onrechte is afgezien van een persoonlijk gesprek met [wederpartij 2] en dat de bestaande loods een grotere omvang heeft. Voorts heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat voor een gesprek met [wederpartij 2] ook aanleiding was omdat zijn werksituatie ten opzichte van 2000 kon zijn gewijzigd. Zij is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat het college in het vorenstaande ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor heroverweging van zijn weigering van de bouwvergunning, maar heeft volstaan met verwijzing naar het advies, dat met name is gebaseerd op de berekening van de benodigde loods aan de hand van de handleiding. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, was het, gezien de inhoud van het gesprek van 3 februari 2006, daarvoor niet nodig dat [wederpartij] het advies van de DCMR reeds op dat moment met een tegenadvies zou hebben bestreden. Het college is tot besluitvorming overgegaan zonder zich ervan te vergewissen of de weigering van de DCMR van het door [wederpartij 2] gevraagde persoonlijk gesprek aanleiding zou geven om alsnog met een tegenadvies te komen. Naar gebleken is, was ten tijde van de besluitvorming zulk een tegenadvies al in een vergevorderd stadium.

De omstandigheid dat alleen [wederpartij 1] in 2000 de DCMR om het eerdere advies had gevraagd, doet evenmin aan het vorenstaande af. [wederpartij 1] en [wederpartij 2] hebben daarna gezamenlijk om de bouwvergunning gevraagd en ook voor het college behoorde het duidelijk te zijn dat [wederpartij 2], gelet op voormeld gesprek en op de leeftijd van [wederpartij 1], de feitelijke bedrijfsvoering op zich had genomen.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het college dient opnieuw te beslissen op het bezwaar van [appellant sub 2] met inachtneming van de aangevallen uitspraak en deze uitspraak. De Afdeling acht het geraden dat het college daartoe een nader advies laat opstellen door andere deskundigen dan de DCMR en voormelde adviseur van [wederpartij].

2.6.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Brielle tot vergoeding van bij [wederpartijen] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Brielle aan [wederpartijen] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Huijben

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2007

313-530.