Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB1201

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2007
Datum publicatie
09-08-2007
Zaaknummer
200704288/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / geen handelingen ter fine van uitzetting / voortvarendheid

Op de dag van de zitting van de rechtbank had appellant vijftien dagen in bewaring doorgebracht. Niet in geschil is dat gedurende deze periode geen handelingen ter fine van uitzetting door de vreemdelingenpolitie of, voor zover overdracht van het dossier had plaatsgevonden, door de Dienst Terugkeer en Vertrek zijn verricht. Voorts is niet in geschil dat van bijzondere, niet aan de staatssecretaris toe te rekenen omstandigheden geen sprake was. Aldus is de rechtbank, mede gelet op hetgeen de Afdeling in de uitspraak van 16 juli 2007 in zaak no. 200703728/1 (aangehecht ter voorlichting van partijen) heeft overwogen, ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris met voldoende voortvarendheid aan de uitzetting van appellant heeft gewerkt. Dat de staatssecretaris, naar deze ter zitting van de rechtbank heeft medegedeeld, zich op uitzetting naar Bangladesh zal gaan richten, aangezien appellant, die heeft gesteld dat hij uit Myanmar afkomstig is, volgens een rapport van een taalanalyse van 26 juli 2005 eenduidig tot de spraak- en cultuurgemeenschap van Bangladesh is te herleiden, doet daaraan, gezien de datum van dat rapport, niet af.

De grief slaagt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/422

Uitspraak

200704288/1.

Datum uitspraak: 26 juli 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 07/22078 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 14 juni 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2007 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 juni 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 21 juni 2007, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

Op 28 juni 2007 is de bewaring opgeheven.

Bij brief van 29 juni 2007 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een reactie ingediend.

Bij brief van 10 juli 2007 heeft de staatssecretaris, daartoe in de gelegenheid gesteld, zich nader uitgelaten. Bij brief van dezelfde dag heeft appellant hierop gereageerd.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de grief klaagt appellant dat de rechtbank, door te overwegen dat de staatssecretaris voldoende voortvarendheid bij de voorbereiding van zijn uitzetting heeft betracht, heeft miskend dat, voor zover thans van belang, de staatssecretaris ter zitting heeft erkend dat nog geen concrete uitzettingshandelingen zijn verricht.

2.1.1. Op de dag van de zitting van de rechtbank had appellant vijftien dagen in bewaring doorgebracht. Niet in geschil is dat gedurende deze periode geen handelingen ter fine van uitzetting door de vreemdelingenpolitie of, voor zover overdracht van het dossier had plaatsgevonden, door de Dienst Terugkeer en Vertrek zijn verricht. Voorts is niet in geschil dat van bijzondere, niet aan de staatssecretaris toe te rekenen omstandigheden geen sprake was. Aldus is de rechtbank, mede gelet op hetgeen de Afdeling in de uitspraak van 16 juli 2007 in zaak no. 200703728/1 (aangehecht ter voorlichting van partijen) heeft overwogen, ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris met voldoende voortvarendheid aan de uitzetting van appellant heeft gewerkt. Dat de staatssecretaris, naar deze ter zitting van de rechtbank heeft medegedeeld, zich op uitzetting naar Bangladesh zal gaan richten, aangezien appellant, die heeft gesteld dat hij uit Myanmar afkomstig is, volgens een rapport van een taalanalyse van 26 juli 2005 eenduidig tot de spraak- en cultuurgemeenschap van Bangladesh is te herleiden, doet daaraan, gezien de datum van dat rapport, niet af.

De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.3. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 14 juni 2007 in zaak no. AWB 07/22078;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

Voorzitter

w.g. Hazen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2007

452.

Verzonden: 26 juli 2007

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak