Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB1057

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
03-08-2007
Zaaknummer
200703247/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2007:BA3265, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag / artikel 3 EVRM / term duurzaam

Appellant verkeert derhalve thans in de situatie dat hem geen verblijfstitel wordt verleend, maar dat hij evenmin wordt uitgezet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder andere uitspraak van 2 juni 2004 in zaak no. 200308845/1, JV 2004/279) brengt de onderlinge verhouding tussen artikel 45 en artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 mee, dat zo enigszins mogelijk wordt voorkomen dat de vreemdeling in die situatie geraakt. In dit verband moet het besluit er blijk van geven dat door de staatssecretaris is beoordeeld of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting naar het land van herkomst. De term duurzaam dient aldus te worden begrepen dat de vreemdeling zich gedurende een groot aantal jaren in de situatie bevindt dat hij wegens schending van artikel 3 van het EVRM niet kan worden uitgezet en dat er geen vooruitzicht is op verandering in deze situatie binnen niet al te lange termijn. Indien dit het geval is, de vreemdeling voorts aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog altijd niet kan worden uitgezet, dat vertrek naar een ander land dan het land van herkomst ondanks voldoende inspanningen om te voldoen aan zijn vertrekplicht niet mogelijk is en de vreemdeling zich daarnaast in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt, is er voor de staatssecretaris aanleiding om te beoordelen of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703247/1.

Datum uitspraak: 18 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/3863 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 5 april 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 5 april 2007, verzonden op 11 april 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 9 mei 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 23 mei 2007 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Hetgeen in de eerste grief is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.2. In de tweede grief klaagt appellant dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat door hem niet aannemelijk is gemaakt dat artikel 3 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: het EVRM) zich duurzaam tegen zijn uitzetting verzet. In dat verband voert hij aan dat voor de uitleg van het begrip 'duurzaam' aansluiting dient te worden gezocht bij het begrip 'duurzaam' zoals dit elders in de Vw 2000 en het -besluit wordt gebezigd, zoals in artikel 3.75, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000). In de derde grief klaagt appellant dat de aangevallen uitspraak innerlijk tegenstrijdig is omdat de rechtbank enerzijds heeft overwogen dat de door hem aangevoerde omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat de minister aanleiding had moeten zien hem alsnog in het bezit van een verblijfsvergunning te stellen, terwijl de rechtbank anderzijds heeft overwogen dat indien de situatie in het land van herkomst na verloop van tijd niet verandert de minister opnieuw dient te bezien of artikel 3 van het EVRM zich duurzaam tegen zijn uitzetting verzet en of er gelet op alle omstandigheden hem een vergunning kan worden onthouden. De rechtbank heeft immers al overwogen dat er van bijzondere omstandigheden geen sprake is.

2.2.1. De minister heeft zich in het besluit van 23 december 2005 op het standpunt gesteld dat artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag op appellant van toepassing is. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.1 is overwogen staat dit standpunt in rechte vast. Voorts heeft de minister zich daarin op het standpunt gesteld dat appellant, gelet op de toepasselijkheid van dat artikel, niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel op voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, noch, ingevolge het bepaalde in artikel 3.107 van het Vb 2000, voor verlening van een verblijfsvergunning asiel op één van de andere in artikel 29, eerste lid, vermelde gronden.

Verder heeft de minister zich in dat besluit op het standpunt gesteld dat appellant niet naar het land van herkomst zal worden uitgezet omdat hij daar op dit moment een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een door artikel 3 van het EVRM verboden handeling.

2.2.2. Appellant verkeert derhalve thans in de situatie dat hem geen verblijfstitel wordt verleend, maar dat hij evenmin wordt uitgezet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder andere uitspraak van 2 juni 2004 in zaak no. 200308845/1, JV 2004/279) brengt de onderlinge verhouding tussen artikel 45 en artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 mee, dat zo enigszins mogelijk wordt voorkomen dat de vreemdeling in die situatie geraakt.

In dit verband moet het besluit er blijk van geven dat door de staatssecretaris is beoordeeld of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting naar het land van herkomst. De term duurzaam dient aldus te worden begrepen dat de vreemdeling zich gedurende een groot aantal jaren in de situatie bevindt dat hij wegens schending van artikel 3 van het EVRM niet kan worden uitgezet en dat er geen vooruitzicht is op verandering in deze situatie binnen niet al te lange termijn. Indien dit het geval is, de vreemdeling voorts aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog altijd niet kan worden uitgezet, dat vertrek naar een ander land dan het land van herkomst ondanks voldoende inspanningen om te voldoen aan zijn vertrekplicht niet mogelijk is en de vreemdeling zich daarnaast in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt, is er voor de staatssecretaris aanleiding om te beoordelen of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is.

2.2.3. In het besluit van 23 december 2005 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam tegen zijn uitzetting verzet. In dat verband heeft de minister overwogen dat de omstandigheid dat appellant al bijna vier jaar in Nederland verblijft niet tot een ander oordeel leidt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient appellant zich gedurende een groot aantal jaren in de situatie te hebben bevonden, dat hij niet kan worden uitgezet wegens het risico van schending van artikel 3 van het EVRM. Nu eerst door het afwijzende besluit van 23 december 2005 is vastgesteld dat appellant zich in die situatie bevindt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam tegen zijn uitzetting verzet. De tweede grief kan niet slagen.

2.2.4. De beoordeling van de vraag of de vreemdeling zich in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt is eerst aan de orde, indien deze zich langdurig in de situatie heeft bevonden, dat deze niet kan worden uitgezet. Nu daaraan, gelet op het hiervoor overwogene, niet is voldaan, bestond er voor de minister nog geen aanleiding om te beoordelen of appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt. De rechtbank had dan ook aan de door appellant voorgedragen beroepsgrond niet meer hoeven toe te komen. De derde grief, alhoewel terecht voorgedragen, kan dan ook niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van gronden te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens

Voorzitter

w.g. Graat

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2007

307

Verzonden: 18 juli 2007

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak