Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB0912

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2007
Datum publicatie
03-08-2007
Zaaknummer
200702240/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ9720, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesbelang / ongewenstverklaring / afwijzing aanvraag verlening verblijfsvergunning / samenloop

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 juli 2006, in zaak no. 200510434/1; JV 2006/347), heeft een vreemdeling geen belang bij een beroep tegen een besluit over een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning, zolang deze ongewenst is verklaard, omdat dit beroep nimmer tot rechtmatig verblijf kan leiden. Een ongewenst verklaarde vreemdeling kan in afwijking van artikel 8 immers geen rechtmatig verblijf hebben. Belang bij toetsing in rechte van een afwijzing van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning is bij samenloop daarvan met een besluit, waarbij een vreemdeling ongewenst is verklaard, eerst aan de orde, indien dat laatste besluit wordt herroepen of ingetrokken, dan wel de ongewenstverklaring wordt opgeheven. In dit geval deed zich geen van deze situaties voor. De vreemdeling had derhalve geen belang bij het door hem tegen de afwijzing van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingestelde beroep. Dat de vreemdeling ongewenst is verklaard in verband met de tegenwerping aan hem van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag in het kader van de afwijzing van zijn asielaanvraag, doet daaraan, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet af. Nu voortduring van de ongewenstverklaring de verlening van de gevraagde verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onmogelijk maakt, kan de vreemdeling de tegenwerping van voormelde verdragsbepaling aan de orde stellen in de door hem tegen de ongewenstverklaring aangespannen procedure. Dat het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag rechtens onaantastbaar wordt indien beoordeling van het daartegen ingestelde beroep achterwege blijft, leidt evenmin tot het oordeel dat de vreemdeling belang heeft bij die beoordeling. Indien zijn ongewenstverklaring is komen te vervallen, kan de vreemdeling de staatssecretaris verzoeken de weigering van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te heroverwegen, dan wel een nieuwe aanvraag om verlening van een zodanige vergunning indienen, waarbij het algemene rechtsbeginsel dat eenzelfde geschil niet ten tweeden male aan de rechter kan worden voorgelegd niet aan toetsing van het daarop te nemen besluit in de weg staat. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep ten onrechte niet niet-ontvankelijk verklaard. De grief slaagt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 8
Vreemdelingenwet 2000 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/420

Uitspraak

200702240/1.

Datum uitspraak: 19 juli 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/27063 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 15 februari 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en hem tevens ongewenst verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 15 februari 2007, verzonden op 1 maart 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), het tegen de afwijzing van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 29 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 april 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De staatssecretaris klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling ondanks zijn ongewenstverklaring belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris betoogt daartoe dat, samengevat weergegeven, zolang de ongewenstverklaring voortduurt, de vreemdeling geen rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan hebben, zodat het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd nimmer tot rechtmatig verblijf kan leiden.

2.1.1.Ingevolge artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 kan de ongewenst verklaarde vreemdeling in afwijking van artikel 8 van die wet geen rechtmatig verblijf hebben.

2.1.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 juli 2006, in zaak no. 200510434/1; JV 2006/347), heeft een vreemdeling geen belang bij een beroep tegen een besluit over een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning, zolang deze ongewenst is verklaard, omdat dit beroep nimmer tot rechtmatig verblijf kan leiden. Een ongewenst verklaarde vreemdeling kan in afwijking van artikel 8 immers geen rechtmatig verblijf hebben.

Belang bij toetsing in rechte van een afwijzing van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning is bij samenloop daarvan met een besluit, waarbij een vreemdeling ongewenst is verklaard, eerst aan de orde, indien dat laatste besluit wordt herroepen of ingetrokken, dan wel de ongewenstverklaring wordt opgeheven.

2.1.3. In dit geval deed zich geen van deze situaties voor. De vreemdeling had derhalve geen belang bij het door hem tegen de afwijzing van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingestelde beroep. Dat de vreemdeling ongewenst is verklaard in verband met de tegenwerping aan hem van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag in het kader van de afwijzing van zijn asielaanvraag, doet daaraan, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet af. Nu voortduring van de ongewenstverklaring de verlening van de gevraagde verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onmogelijk maakt, kan de vreemdeling de tegenwerping van voormelde verdragsbepaling aan de orde stellen in de door hem tegen de ongewenstverklaring aangespannen procedure. Dat het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag rechtens onaantastbaar wordt indien beoordeling van het daartegen ingestelde beroep achterwege blijft, leidt evenmin tot het oordeel dat de vreemdeling belang heeft bij die beoordeling. Indien zijn ongewenstverklaring is komen te vervallen, kan de vreemdeling de staatssecretaris verzoeken de weigering van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te heroverwegen, dan wel een nieuwe aanvraag om verlening van een zodanige vergunning indienen, waarbij het algemene rechtsbeginsel dat eenzelfde geschil niet ten tweeden male aan de rechter kan worden voorgelegd niet aan toetsing van het daarop te nemen besluit in de weg staat.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep ten onrechte niet niet-ontvankelijk verklaard.

De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De overige grieven behoeven geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep bij de rechtbank alsnog niet-ontvankelijk verklaren, nu niet is gebleken dat zich thans wel een van de hiervoor onder 2.1.2. vermelde situaties voordoet.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 15 februari 2007 in zaak no. AWB 06/27063;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Z.N. Kammeraat, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

Voorzitter

w.g. Kammeraat

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2007

295

Verzonden: 19 juli 2007

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak