Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB0825

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2007
Datum publicatie
01-08-2007
Zaaknummer
200603878/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 september 2005 heeft de gemeenteraad van Deurne het bestemmingsplan "Walsberg" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/610

Uitspraak

200603878/1.

Datum uitspraak: 1 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2005 heeft de gemeenteraad van Deurne het bestemmingsplan "Walsberg" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 18 april 2006, nr. 1132103, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 17 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 8 augustus 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 20 november 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2007, waar appellanten, vertegenwoordigd door M.J.E. Driessen, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Deurne, vertegenwoordigd door H. Moors en H. Smit, ambtenaren van de gemeente, daar gehoord. Verweerder is, met kennisgeving, niet verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het standpunt van appellanten

2.3.    Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woongebied 2 -Wg2-", voor zover het betreft de gronden met de aanduiding "gebied met wijzigingsbevoegdheid B" en twee percelen met de aanduiding "1w", gelegen in het zuidoosten van het plangebied, plaatselijk bekend als 'de locatie Reeksenakker'. Daartoe betogen zij dat de gemeenteraad in strijd met artikel 7:9 van de Awb in de gelegenheid is gesteld na de hoorzitting bij de provincie nadere gegevens over te leggen zonder dat appellanten in de gelegenheid zijn gesteld zich over die gegevens uit te laten. Het bestreden besluit is daardoor ook met vooringenomenheid genomen, aldus appellanten. Voorts zijn de verstrekte nadere gegevens, volgens appellanten, onjuist. De locatie ligt niet ingesloten tussen stedelijke functies die een inbreiding rechtvaardigen, maar ligt deels in het buitengebied en deels op de rand ervan. Bovendien ligt de locatie op gronden die in het streekplan zijn aangeduid als 'Groene Hoofdstructuur (GHS)' en 'landschappelijk raamwerk' en zijn ook feitelijk natuurwaarden aanwezig. Naar de aantasting van deze natuurwaarden is ten onrechte onvoldoende dan wel geen onderzoek gedaan, aldus appellanten. Het advies van de Planologische Commissie voor de Gemeentelijke Plannen is volgens appellanten onjuist geformuleerd, waardoor verweerder ten onrechte is uitgegaan van een positief advies. Zij betogen dat aldus sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit. De belangenafweging van verweerder achten zij onzorgvuldig, eenzijdig en onvolledig, nu de verkeersaantrekkende werking die het plandeel veroorzaakt en de gevolgen daarvan voor de verkeersveiligheid, de luchtkwaliteit en de geluid- en lichtvervuiling van het aangrenzende natuurgebied, niet zijn meegewogen.

Het standpunt van verweerder

2.4.    Verweerder heeft het in geding zijnde plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft dit goedgekeurd.

   Hij stelt zich op het standpunt dat de locatie als een inbreidingslocatie als bedoeld in het provinciale beleid kan worden aangemerkt, nu deze aan drie zijden door stedelijke functies wordt omsloten en daaraan in het voorheen geldende plan een woonbestemming is toegekend. De locatie maakt voorts geen deel uit van gronden die in het streekplan zijn aangeduid als 'GHS'. Verweerder concludeert op basis van informatie van het gemeentebestuur dat de locatie ook feitelijk geen natuurwaarden heeft die beschermd moeten worden. De locatie betreft, volgens hem, een grotendeels open plek die omzoomd wordt door waardevolle groenzones en greppels die gehandhaafd blijven, maar voor het overige geen natuurwaarden heeft. Verder ligt de locatie op de plankaart bij het uitwerkingsplan Zuidoost-Brabant - een uitwerking van het streekplan - op de grens van de aanduidingen 'landschappelijk raamwerk' en 'stedelijk gebied', maar de begrenzing van die gronden op perceelsniveau dient, volgens verweerder,  plaats te vinden in het bestemmingsplan, gelet op het indicatieve en globale karakter van die plankaart. De ruimtelijke structuur van Walsberg, waarvan de locatie deel uitmaakt, kenmerkt zich als 'boswonen'. Een beperkte verdichting van het gebied met woningen als voorzien in het plan acht verweerder onder deze omstandigheden aanvaardbaar.

Vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    Het plangebied ligt ten noorden van Deurne en vormt de overgang naar het buitengebied.

   Voor het zuidoostelijk gedeelte, waarbinnen twee woningen staan, voorziet het plan in een verdichting tot tien woningen.

   Daartoe is in het plan aan dat gedeelte van de gronden de bestemming "Woongebied 2 -Wg2-" met de aanduiding 'gebied met wijzigingsbevoegdheid B' toegekend. Twee percelen zijn tevens voorzien van de aanduiding '1w'. In het deskundigenbericht van de StAB is vermeld dat in het voorgaande bestemmingsplan aan deze twee percelen ook een woonbestemming was toegekend en daarop nog geen woningen zijn gerealiseerd.

2.5.2.    Ingevolge artikel 4.1., aanhef en onder a, van de planvoorschriften, zijn de op de plankaart voor "Woongebied 2 -Wg2-" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen voor wonen, voor zover het betreft bestaande woningen, dan wel voor zover op de plankaart aangeduid met -…w- (aantal extra toegestane woningen).

   Ingevolge artikel 4.2.10. van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen ter plaatse van de aanduiding 'gebied met wijzigingsbevoegdheid B' op de plankaart, ten behoeve van de bouw van meer dan twee woningen, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. het totaal aantal woningen binnen het gebied mag niet meer dan 10 bedragen;

b. De financiële uitvoerbaarheid moet voldoende zijn verzekerd;

c. De agrarische hindercirkel, die van toepassing is op het gebied van deze wijzigingsbevoegdheid, is opgeheven; hiervan is onder andere sprake indien:

- het agrarische bedrijf dat de milieuhinder ter plaatse veroorzaakt, ophoudt te bestaan;

- door technische maatregelen de hindercirkel wordt verkleind en de milieuvergunning wordt aangepast.

2.5.3.    In de plantoelichting is vermeld dat uit bestaande inventarisatiegegevens blijkt dat in het plangebied mogelijk beschermde soorten voorkomen, dan wel daar in het verleden zijn aangetroffen, zoals amfibieën, vleermuizen, roodborsttapuit, etc. Voorts is op de grens van de locatie in het zuidoosten van het plangebied de Rode lijst-soort de groene specht aangetroffen. Deze gegevens worden echter onvoldoende concreet geacht om inzicht te bieden in mogelijk aanwezige beschermde soorten in het plangebied. Uit het verkennende, globale veldonderzoek is geconcludeerd dat de locatie in het zuidoosten van het plangebied mogelijk zeer geschikt is als verblijf- en foerageergebied voor zoogdieren en vogels, hoewel deze tijdens dat onderzoek niet zijn aangetroffen.

   In de plantoelichting wordt geconcludeerd dat voor beschermde vogels een strijdigheid met de Flora- en faunawet eenvoudig kan worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten de broedtijd te laten plaatsvinden, indien concreet broedende vogels aanwezig zijn. Van vaste rust-, broed- of verblijfplaatsen van streng beschermde soorten, waarbij een ontheffing alleen onder strikte voorwaarden kan worden verstrekt, is op de onderzochte locaties naar verwachting geen sprake. Er zijn derhalve voor de te ontwikkelen locaties in het bestemmingsplan geen belemmeringen te verwachten vanuit de Flora en faunawet.

2.5.4.    In de brief van het gemeentebestuur van Deurne van 18 december 2006, in reactie op het deskundigenrapport van de StAB, is vermeld dat bewust is gekozen voor een verkennend, globaal onderzoek en een nadere aanvulling bij de toekomstige uitwerking van het bestemmingsplan.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Ten aanzien van het bezwaar van appellanten dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de natuurwaarden in het plangebied, overweegt de Afdeling het volgende.

   De aanduiding '1w' ter plaatse van twee percelen op de plankaart in het zuidoosten van het plangebied, voorziet bij recht in de bouw van twee woningen. De in artikel 4.2.10. van de planvoorschriften, zoals weergegeven in overweging 2.5.2., opgenomen wijzigingsbevoegdheid maakt voorts binnen het gebied waaraan die bevoegdheid is toegekend een verdichting van de bebouwing mogelijk tot een totaal van 10 woningen.

   Ten aanzien van de percelen waaraan de aanduiding '1w' is toegekend, stelt de Afdeling vast dat, gelet op overweging 2.5.1., geen sprake is van bestaand gebruik als woning. Gelet daarop diende, in eerste instantie door de gemeenteraad, bij dit plan te worden bezien of bedoelde bouwmogelijkheden uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening gehandhaafd kunnen blijven. Voorts diende ten aanzien van de gronden waaraan de aanduiding 'gebied met wijzigingsbevoegdheid B' is toegekend reeds bij dit plan te worden bezien of de met deze wijzigingsbevoegdheid beoogde ontwikkeling in beginsel aanvaardbaar is, omdat met het bestaan van een door verweerder goedgekeurde wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven mag worden beschouwd.

   Het onderzoek waarvan de resultaten in de plantoelichting zijn weergegeven, betreft uitsluitend een verkennende, globale inventarisatie van de flora en fauna op desbetreffende gronden, waaruit niet blijkt of ter plaatse daadwerkelijk beschermde soorten voorkomen. Dat enkel een globaal onderzoek is uitgevoerd is in de gegeven omstandigheden onvoldoende nu uit de stukken blijkt dat de mogelijkheid bestaat dat op of in de directe nabijheid van de thans in geding zijnde gronden (strikt) beschermde soorten voorkomen en voornoemde gronden gezien hun aard ook geschikt zijn als verblijf- of foerageerplaats. Voorts heeft de gemeenteraad geen blijk gegeven van een beoordeling of voor de bouw van de woningen een ontheffing op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet is vereist, en zo, ja of deze kan worden verleend. Evenmin heeft de ingevolge de WRO vereiste afweging plaatsgevonden van alle bij het gebruik van de gronden en opstallen betrokken belangen, waaronder de natuurwaarden. Verweerder heeft dit niet onderkend.

2.7.    Gelet op het vorenstaande is het besluit van verweerder, voor zover betreffende het plandeel met bestemming "Woongebied 2 -Wg2-", voor zover het betreft de gronden met de aanduiding "gebied met wijzigingsbevoegdheid B" en twee percelen met de aanduiding "1w", gelegen in het zuidoosten van het plangebied, niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust het in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd. De overige bezwaren behoeven derhalve geen bespreking.

   Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om in zoverre goedkeuring te onthouden.

Proceskostenveroordeling

2.8.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 18 april 2006, nr. 1132103, voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Woongebied 2 -Wg2-", voor zover het betreft de gronden met de aanduiding "gebied met wijzigingsbevoegdheid B" en twee percelen met de aanduiding "1w", gelegen in het zuidoosten van het plangebied;

III.    onthoudt goedkeuring aan het onder II. genoemde plandeel;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 843,33 (zegge: achthonderdendrieënveertig euro en drieëndertig cent), waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin     w.g. Vogel-Carprieaux

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2007

12-458.