Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB0806

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2007
Datum publicatie
01-08-2007
Zaaknummer
200607265/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "From Ontroerendgoed B.V." (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een koelmachine met geluidsscherm op het perceel Badweg 2 te Leeuwarden (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968
Wet op de omzetbelasting 1968 3
Wet op de omzetbelasting 1968 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2008/85
JOM 2007/583

Uitspraak

200607265/1.

Datum uitspraak: 1 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 06/260 van de rechtbank Leeuwarden van 24 augustus 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "From Ontroerendgoed B.V." (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een koelmachine met geluidsscherm op het perceel Badweg 2 te Leeuwarden (hierna: het perceel).

Bij besluit van 20 december 2005 heeft het college het daartegen door onder meer appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 augustus 2006, verzonden op 25 augustus 2006, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 2 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 11 december 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Vergunninghoudster is in de gelegenheid gesteld als partij deel te nemen aan het geding.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2007, waar namens appellante, [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. A.L. Bennen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Vergunninghoudster is niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op grond van het geldende bestemmingsplan "Huizum-Badweg" rust op het perceel de bestemming "Gemengde bebouwing met bijbehorende erven (GB)".

   Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften (hierna: de planvoorschriften), voor zover thans van belang, zijn de als zodanig op de kaart aangewezen gronden bestemd voor gebouwen ten dienste van kantoor- en woondoeleinden, sociaal, culturele en educatieve voorzieningen, dienstverlenende instellingen en horecabedrijven, met daarbij behorende bouwwerken en erven.

   Ingevolge artikel 8, eerste lid, onder c, van de planvoorschriften mag de hoogte van de gebouwen niet meer bedragen dan het op de kaart aangegeven aantal meters.

   Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid, sub c, en toestaan dat ten behoeve van liftkokers, voorzieningen voor centrale verwarming en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen de hoogte van de gebouwen met maximaal 4 meter mag worden overschreden.

2.2.     De toegestane hoogte van het gebouw waarop de koelmachine is geplaatst is blijkens de bij het bestemmingsplan behorende plankaart 10 meter. Na uitvoering van het bouwplan bedraagt de hoogte 12.90 meter.

   Niet in geschil is, en daarvan gaat de Afdeling ook uit, dat de koelinstallatie kan worden aangemerkt als een naar de aard met een voorziening voor centrale verwarming gelijk te stellen bouwonderdeel als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de planvoorschriften, waarvoor vrijstelling kan worden verleend op grond van dit artikellid.

2.3.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college vrijstelling en bouwvergunning heeft kunnen verlenen omdat  de koelinstallatie in strijd is met de redelijke eisen van welstand.

2.3.1.    Blijkens het advies van de welstandscommissie "Hûs en Hiem" heeft de welstandscommissie het bouwplan in overeenstemming geacht met de redelijke eisen van welstand. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 22 maart 2006 in zaak no. 200506325/1, mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies over legt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Appellante heeft geen tegenadvies van een deskundige overgelegd ter bestrijding van het hiervoor aangehaalde welstandsadvies. Tegenover het oordeel van de welstandscommissie heeft zij uitsluitend haar eigen opvattingen omtrent de welstand geplaatst. Gelet hierop kan ook niet worden staande gehouden de stelling dat het college vrijstelling en bouwvergunning had dienen te weigeren wegens strijd met de redelijke eisen van welstand.

2.4.    Verder betoogt appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen.

2.4.1.    De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het verlenen van vrijstelling een discretionaire bevoegdheid van het college is en dat slechts beoordeeld kan worden of het college bij een afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten van die bevoegdheid al dan niet gebruik te maken. Uit de in opdracht van het college verrichte geluidsmeting op 7 oktober 2005 naar het door de koelinstallatie geproduceerde geluid is gebleken dat kan worden voldaan aan de in het Besluit woon- en verblijfsgebouwen neergelegde geluidsnormen. De ten tijde van het bestreden besluit beschikbare gegevens hoefden dan ook geen reden te zijn de vrijstelling te weigeren.    

   De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. Derhalve faalt het betoog van appellante.

2.4.2.    De door appellante op 26 juni 2007 bij de Afdeling ingebrachte geluidsmeting, uitgevoerd door de Natuurkunde Winkel Rijksuniversiteit Groningen, kan in deze procedure geen rol spelen. Dit onderzoek kan slechts van belang zijn in het kader van een eventueel in te stellen handhavingsprocedure

2.5.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college geen rekening heeft gehouden met alle betrokken belangen door niet de mogelijkheid van plaatsing van de koelmachine op een andere plaats te bezien.

2.5.1.    Bij de beslissing over de vrijstelling moet het college van het bouwplan uitgaan, zoals dat is ingediend. Indien een bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Daarvan is in dit geval geen sprake. Ter zitting is komen vast te staan dat de constructie van het gebouw waarop de koelmachine is gesitueerd een andere plek van die machine niet toelaat, hetgeen door appellante niet is betwist. Van een alternatief in vorenbedoelde zin is dan ook geen sprake.                    

2.6.    De omstandigheid dat het inmiddels geplaatste scherm niet die reductie van geluid heeft bewerkstelligd die tevoren was verwacht, kan in het kader van het voorliggende geschil geen rol spelen, nu dit op de uitvoering van het bouwplan ziet.

   Ook de zowel door het college als in opdracht van appellante verrichte onderzoeken naar de geluidsbelasting kunnen om die reden in dit geschil geen rol spelen.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers     w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2007

328-552.