Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB0802

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2007
Datum publicatie
01-08-2007
Zaaknummer
200607569/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 februari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning met bijgebouw op het perceel [locatie] te Noordwijk (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200607569/1.

Datum uitspraak: 1 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Noordwijk,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/9367 van de rechtbank

's-Gravenhage van 30 augustus 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning met bijgebouw op het perceel [locatie] te Noordwijk (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 juni 2004 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juni 2005 heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 juni 2004 vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak.

Bij besluiten van 21 en 25 oktober 2005 heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 februari 2004 gegrond verklaard, het besluit van 10 februari 2004 herroepen voor wat betreft de verleende vrijstelling, de tekeningen, ingekomen op 17 maart 2003, behorend bij het besluit van 10 februari 2004, vervangen door de tekeningen ingekomen op 4 augustus 2005 en de bouwvergunning voor het overige in stand is gelaten.

Bij uitspraak van 30 augustus 2006, verzonden op 5 september 2006, heeft de rechtbank het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 21 en 25 oktober 2005 vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 16 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 14 november 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 9 januari 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. F.P. van Galen, advocaat te Leiden, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door S.M.P.J. van der Sman, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in het oprichten van een woning met bijgebouw ter vervanging van bestaande bebouwing op het perceel.

2.2.    Partijen zijn het erover eens dat de aangevallen uitspraak een kennelijke verschrijving bevat en daarom aldus moet worden gelezen dat voor het te hanteren peil het terrein ter plaatse van de hoofdtoegang van belang is, zodat niet alleen de in het souterrain gelegen slaapkamers, maar ook de daarin gelegen andere ruimten niet kunnen worden aangemerkt als geheel ondergronds gelegen ruimten en derhalve meetellen voor de bepaling van de inhoud van de woning.

2.3.    Het hoger beroep is beperkt tot de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat geen sprake is van één ondeelbaar bouwplan. Appellante betoogt dat geen sprake is van twee bouwwerken, bestaande uit een hoofdgebouw en een afzonderlijk bijgebouw, doch dat het gaat om één bouwwerk. Daarom mocht volgens appellante geen binnenplanse vrijstelling worden verleend ten behoeve van de overschrijding van de voorgeschreven oppervlakte voor bijgebouwen.

2.3.1.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet wordt onder gebouw verstaan: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

   Ingevolge artikel 1, onder c, van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Zuidduinen 1982" wordt onder bouwwerk verstaan: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of enig ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

   Ingevolge artikel 25, aanhef en onder c, van de planvoorschriften is het college bevoegd vrijstelling te verlenen van de bepalingen in de planvoorschriften voor het wijzigen van de voorgeschreven bebouwingsnormen met ten hoogste 10% indien in verband met voorgenomen bouwplannen deze wijzigingen noodzakelijk zijn.

2.3.2.    Op de bij het besluit van 10 februari 2004 behorende tekeningen van 17 maart 2003 waren de woning en het bijgebouw met elkaar verbonden door een gedeeltelijk ondergronds gelegen ruimte. Het ging om één gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet. Op de op 4 augustus 2005 ingekomen tekeningen, die bij besluit van 25 oktober 2005 de tekeningen van 17 maart 2003 hebben vervangen, zijn de deuren die vanuit de woning en het bijgebouw de toegang vormden tot voormelde ruimte en de vloer daarvan weggelaten. Uit de tekeningen van 4 augustus 2005, nader toegelicht ter zitting, is gebleken dat de ruimte voor ten minste 65% zal worden volgestort met zand. Daargelaten de vraag of aan de ruimte als gevolg daarvan op zichzelf beschouwd, het karakter van een gebouw is ontnomen, is de Afdeling van oordeel dat deze omstandigheid niet zonder meer betekent dat het bouwplan in zijn geheel niet meer kan worden aangemerkt als één gebouw. De omstandigheid dat een bouwwerk een of meer delen bevat die niet afzonderlijk voor mensen toegankelijk zijn, hoeft er niet aan in de weg te staan dat het bouwwerk moet worden aangemerkt als één bouwwerk en dus als één gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet. In dit geval vormt het bouwplan in zijn geheel één gebouw als bedoeld in genoemde bepaling. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat in dit geval geen sprake is van één ondeelbaar bouwplan. Dit brengt mee dat de rechtbank voorts ten onrechte heeft geoordeeld dat voor het bouwplan bouwvergunning kon worden verleend, nu met het verlenen van de vrijstelling als bedoeld in artikel 25, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, de strijd met het bestemmingsplan niet was opgeheven. Het bouwplan voorziet immers in een afwijking van de in het bestemmingsplan voorgeschreven inhoudsmaat met meer dan 10% en een afwijking van de voorgeschreven afstand voor hoofdgebouwen van de zijdelingse perceelsgrens.    

2.4.    Het hoger beroep is gegrond. Nu het dictum van de aangevallen uitspraak juist is, dient deze, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.5.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak met verbetering van de gronden waar deze op rust;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Noordwijk aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Noordwijk aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 211,00 (zegge: tweehonderdelf euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Lodder

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2007

17-531.