Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB0789

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2007
Datum publicatie
01-08-2007
Zaaknummer
200608250/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Albrandswaard, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard van 24 januari 2006, het bestemmingsplan "Essendael" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2007/18

Uitspraak

200608250/1.

Datum uitspraak: 1 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats]

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Albrandswaard, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard van 24 januari 2006, het bestemmingsplan "Essendael" vastgesteld.

Verweerder heeft bij besluit van 19 september 2006, kenmerk DRM/ARW/06/2301A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 15 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2006, en appellanten sub 2 bij brief van 15 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 12 februari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 15 februari 2007 heeft de gemeenteraad een nader stuk ingediend. Dit stuk is in kopie aan partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2007, waar appellanten sub 1, in de persoon van [gemachtigde] en bijgestaan door O.F.N. Duiker, werkzaam bij Duiker Onteigeningen, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door O.F.N. Duiker, verweerder, vertegenwoordigd door mr. I.T.F. Vermeulen, werkzaam bij de provincie, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. D. van de Rijdt, H. van der Linden en C. de Klerk-Verbeek, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

Het toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Procedurele aspecten

2.2.    Appellanten hebben aangevoerd dat zij bij het raadplegen van het ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplan, anders dan in de publicatie was vermeld, niet de mogelijkheid hebben gekregen om direct van deze stukken afschriften te krijgen. Hierdoor was het volgens appellanten niet mogelijk op een goede manier gebruik te maken van de mogelijkheden voor het indienen van een zienswijze.

   Daarnaast zijn appellanten van mening dat de door de gemeente voor kopieën in rekening gebrachte kosten zeer hoog zijn, waardoor een financiële drempel wordt opgeworpen om een goede zienswijze op te stellen.

   Ten slotte stellen [appellanten sub 2] dat zij ten onrechte niet door de gemeente zijn geïnformeerd over de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan en niet bij de planvorming zijn betrokken.

2.2.1.    Uit de stukken blijkt dat appellanten op 14 november 2005 de ter inzage gelegde stukken hebben kunnen inzien. Niet is in geschil dat het door appellanten verzochte complete exemplaar van het bestemmingsplan daags na inzage en ruim voor het verstrijken van de inzagetermijn per post aan appellanten is verzonden.

   De kosten hiervoor zijn overeenkomstig het daarvoor in de Legesverordening Albrandswaard opgenomen tarief in rekening gebracht. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien dat door de gemeenteraad een beperking is opgeworpen voor het indienen van een gemotiveerde zienswijze.

   De Afdeling overweegt voorts dat in de WRO, noch in enig ander wettelijk voorschrift een bepaling valt aan te wijzen op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een ontwerpbestemmingsplan. Vast staat dat voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan daarvan kennis is gegeven in de Staatscourant alsmede in het huis-aan-huisblad "De Schakel". Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellanten sub 2] niet in hun wettelijke mogelijkheden zijn benadeeld om tijdens de bestemmingsplanprocedure hun zienswijze op het plan te geven. Overigens hebben zij tijdig hun zienswijze ingediend.

Standpunt van [appellanten sub 1]

2.3.    [appellanten sub 1] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden", met de aanduiding "tuin", alsmede de bestemmingen "Water", "Archeologisch waardevol gebied" en "Waterstaatsdoeleinden", gelegen op dan wel grenzend aan hun perceel [locatie]. Appellanten wensen op het achterste gedeelte van hun perceel twee woningen te bouwen, waaraan de gegeven bestemming in de weg staat. Daarbij voeren appellanten aan dat een eerder concept van het bestemmingsplan bebouwing op die gronden wel mogelijk maakte. Enkel omdat de gemeente hun gronden niet in eigendom kon verwerven en appellanten zelf woningen wilden realiseren heeft de gemeenteraad bebouwing op dat gedeelte van hun perceel onmogelijk gemaakt, aldus appellanten. Bovendien wordt er zonder nader onderzoek van uitgegaan dat zich op hun perceel archeologische waarden bevinden. Daarnaast stellen appellanten dat de door hun aangereikte oplossingen om bebouwing alsnog mogelijk te maken ten onrechte niet serieus in overweging zijn genomen. Verder menen appellanten dat het profiel van de te wijzigen waterloop onacceptabel en gevaarlijk is.

Standpunt van verweerder

2.4.    Verweerder heeft de desbetreffende plandelen niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft deze goedgekeurd.

De vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    Het plan maakt de bouw mogelijk van een nieuwe woonwijk met 550 tot 650 woningen aan de zuidoostrand van Rhoon. Het perceel van appellanten is in het noorden van het plangebied gelegen en is in het plan bestemd tot "Woondoeleinden" met voor het zuidelijk deel van het perceel de aanduiding "tuin". Een gedeelte van het perceel van appellanten heeft tevens de bestemming "Archeologisch waardevol gebied". De plandelen grenzend aan het perceel van appellanten zijn onder meer bestemd tot "Woongebied" en "Water". Langs het water aan de oost- en zuidzijde van het perceel van appellanten is een strook mede bestemd tot "Waterstaatsdoeleinden".

2.5.2.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor Woondoeleinden -W- aangewezen gronden bestemd voor:

a. woondoeleinden;

b. tuinen, erven, parkeervoorzieningen;

c. groenvoorzieningen;

d. water;

e. nutsvoorzieningen;

f. perceelontsluitingen;

g. (..);

h. (..);

i. (..);

j. voor zover op de kaart de bestemming "Archeologisch waardevol gebied" is aangegeven, is in de eerste plaats het bepaalde in deze bestemming van toepassing;

k. voor zover op de kaart de bestemming "Waterstaatsdoeleinden" is aangegeven, is in de eerste plaats het bepaalde in deze bestemming van toepassing;

met de daarbij behorende gebouwen en andere bouwwerken.

   Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften mogen op de in lid 1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd met dien verstande dat ten aanzien van bijgebouwen, uitbreidingen woonruimte en andere bouwwerken op de gronden met de aanduiding "tuin -T-" geen uitbreidingen woonruimte en/of bijgebouwen mogen worden gebouwd.

2.5.3.    In de plantoelichting staat vermeld dat in opdracht van de gemeente een drietal archeologische onderzoeken is uitgevoerd. Blijkens de BOORrapporten 2004, 2005 en 2006 zijn archeologische resten aangetroffen op onder meer het perceel van appellanten. In de plantoelichting is een kaart opgenomen waarop deze vindplaatsen zijn aangeduid. In genoemde rapporten wordt aanbevolen de archeologische waarden te behouden.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Het plandeel voorziet niet in de door appellanten gewenste bebouwing. Door verweerder is weliswaar bevestigd dat in de aanvankelijke planopzet ook een deel van de gronden van appellanten bij de woningbouwontwikkeling was betrokken, maar dat dit destijds op bezwaren stuitte bij appellanten, die een groot stuk van de grond als tuin wilden behouden. Na afweging van de betrokken belangen is vervolgens gekozen voor een stedenbouwkundige structuur, waarbij het perceel van appellanten door middel van de bestemming "Woondoeleinden" met de aanduiding "tuin" als een groene, open ruimte behouden blijft en aldus als een groene buffer zal functioneren tussen de twee woondelen van het nieuwe woongebied. In de visie van de gemeenteraad wordt hiermee een bijdrage aan de stedenbouwkundige kwaliteit van het plan geleverd. De door appellanten gewenste mogelijkheid tot zelfrealisatie van twee woningen op het achterste deel van het perceel is door de gemeenteraad in ogenschouw genomen, maar niet passend geacht in de uiteindelijk gekozen stedenbouwkundige opzet van de wijk. Daarbij heeft, naar ter zitting is benadrukt, geen rol gespeeld dat appellanten tot zelfrealisatie wilden overgaan of dat archeologische waarden op dit perceel zijn aangetroffen. Alle gronden die nodig zijn voor een goede uitvoering van de beoogde stedenbouwkundige structuur zijn bij de voorgestelde bestemmingsregeling betrokken.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door de gemeenteraad aan de gronden van appellanten gegeven bestemming "Woondoeleinden" met de aanduiding "tuin" uit planologisch oogpunt gelet op alle betrokken belangen aanvaardbaar is.

Verder is uit onderzoek naar de archeologische waarden in het plangebied, uitgevoerd eind 2005, gebleken dat de desbetreffende gronden van dusdanige archeologische waarde zijn, dat aanbevolen is deze waarden aldaar te behouden. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gemeenteraad deze gronden heeft kunnen beschermen door deze te bestemmen tot "Archeologisch waardevol gebied".

2.7.    Voor zover appellanten betogen dat de naast hun perceel beoogde groenstrook, ontsloten door een brug, leidt tot een onveilige situatie vanwege inbraakgevaar en bovendien een aantasting van hun privacy oplevert, overweegt de Afdeling dat gelet op de afstand van dit plandeel tot hun woning niet aannemelijk is dat de geplande bestemming leidt tot een aantasting van de woon- en leefomgeving. Voorts heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de groenstrook benodigd is voor het onderhoud aan de naastgelegen watergangen.

2.7.1.    Ten aanzien van de argumenten die appellanten aanvoeren omtrent de wijze waarop de watergangen worden uitgevoerd overweegt de Afdeling dat de bezwaren hiertegen geen betrekking hebben op het plan, maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze argumenten dienen in deze procedure derhalve buiten beschouwing te blijven. Ook de argumenten van appellanten omtrent de beoogde ligging van de brug waarmee de naast hun perceel gelegen groenstrook wordt ontsloten, kunnen niet in deze procedure aan de orde komen, aangezien deze brug niet op de plankaart staat aangegeven. Ter zitting is nog van de zijde van de gemeenteraad aangegeven dat de groenstrook voor het onderhoud daarvan niet openbaar toegankelijk behoeft te zijn en dat ook de precieze vormgeving eerst aan de orde komt bij de uitvoering van het plan.

2.8.    Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

   Het beroep is ongegrond.

Standpunt van [appellanten sub 2]

2.9.    [appellanten sub 2] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Verkeersdoeleinden", "Water" en "Woongebied", voor zover gelegen tegenover het perceel [locatie 2]. Volgens appellanten is geen rekening gehouden met de manege van appellanten en de mogelijke overlast daarvan voor het te ontwikkelen woongebied. Daarbij betogen appellanten dat een deel van hun bedrijfsperceel, ter grootte van 970 m2, met daarop een opstal voor opslag van hooi en stalling voor vijf pony's, alsmede een ponyweide, ten onrechte is wegbestemd, terwijl appellanten juist behoefte hebben aan uitbreidingsmogelijkheden.

Standpunt van verweerder

2.10.    Verweerder heeft de desbetreffende plandelen niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft deze in zoverre goedgekeurd.

De vaststelling van de feiten

2.11.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.11.1.    Aan de noordzijde van het plangebied, aan de [locatie 2] ligt de manege annex het akkerbouwbedrijf van appellanten. Een zuidelijke gelegen deel van het bedrijfsperceel, kadastraal bekend Gemeente Rhoon sectie […] nummer [A], ligt binnen het plangebied. De plandelen ten zuiden van [locatie 2] zijn bestemd tot "Verkeersdoeleinden", "Water" en "Woongebied".

2.11.2.    In de plantoelichting staat vermeld dat blijkens de in december 2001 verleende milieuvergunning, met betrekking tot de manege sprake is van stankveroorzakende activiteiten, te weten het houden van paarden en de opslag van mest. De stallen bevinden zich in het oostelijk deel van het bedrijfsgebouw op het perceel kadastraal bekend onder sectie […] nummer [B]. Mest wordt opgeslagen achter het bedrijfsgebouw. De afstand van deze activiteiten tot de geprojecteerde woningbouw in het plangebied bedraagt meer dan 50 meter. Op het perceelsgedeelte ten zuiden van de Rijsdijk (perceel […] nr. [A]: gelegen in het plangebied) bevindt zich een opstal voor opslag van hooi.

Het oordeel van de Afdeling

2.12.    Ter zitting is gebleken dat appellanten hun perceel voor zover gelegen binnen het plangebied (kadastraal bekend Gemeente Rhoon sectie […] nummer [A]) inmiddels hebben verkocht aan de gemeente. Gelet hierop behoeven de bezwaren van appellanten die hiertegen gericht waren hier geen verdere bespreking.

2.13.    Ten aanzien van het bedrijf voor zover gelegen buiten het onderhavige plangebied geldt een stankcirkel van 50 meter. Het manegebedrijf is gelegen op een afstand van meer dan 50 meter van de geprojecteerde woningbouw. Gelet op de locatie van de mestopslag en op genoemde afstand wordt niet aannemelijk geoordeeld de vrees van appellanten dat in het te ontwikkelen woongebied stankoverlast ten gevolge van de manege zal ontstaan. Voorts is gebleken dat ook in de huidige situatie op grond van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan "Overhoeken III" het manegebedrijf geen uitbreidingsmogelijkheden meer heeft. Gelet daarop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellanten door de beoogde woningbouw niet in hun uitbreidingsmogelijkheden worden beperkt.

2.14.    Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

   Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.15.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.F. Egmond, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven     w.g. Egmond

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2007

426