Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB0783

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-08-2007
Datum publicatie
01-08-2007
Zaaknummer
200606037/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2005 heeft de gemeenteraad van Valkenswaard, het bestemmingsplan "1e Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied 1998, omgeving Maastrichterweg 154" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200606037/1.

Datum uitspraak: 1 augustus 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    de stichting "Stichting Belangenplatform de Malpie e.o.", gevestigd te Valkenswaard,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2005 heeft de gemeenteraad van Valkenswaard, het bestemmingsplan "1e Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied 1998, omgeving Maastrichterweg 154" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 6 juni 2006, nummer 1142799, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief van 12 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2006, en Stichting Belangenplatform de Malpie e.o. bij brief van 12 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellanten] en van [partij], die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2007, waar [appellanten], in persoon van [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door A.J. Vos, ambtenaar van de provincie zijn verschenen.

Tevens zijn als partij gehoord de gemeenteraad van Valkenswaard, vertegenwoordigd door G.L. Pijnenburg, ambtenaar van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde].

Stichting Belangenplatform de Malpie e.o. is niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1.    Het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard (hierna: het college) betoogt in zijn reactie op de beroepschriften dat appellanten geen belanghebbenden zijn, zodat de beroepen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

   Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft, nu het ontwerp van het bestemmingsplan vóór 1 juli 2005 ter inzage is gelegd.

Anders dan het college stelt, zijn van die werking van het overgangsrecht geen artikelen uit de Wet op de Ruimtelijke Ordening uitgezonderd.

Hieruit volgt dat in deze procedure het beroepsrecht niet slechts aan belanghebbenden toekomt. Dit betoog slaagt derhalve niet.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Procedurele bezwaren

2.3.    Appellanten stellen dat uit het besluit van verweerder niet blijkt van de gehouden hoorzitting en dat zij daar geen verslag van hebben gekregen.

2.3.1.    In het bestreden besluit is onder 1.6 vermeld dat appellanten en het gemeentebestuur in de gelegenheid zijn gesteld om op 3 april 2006 hun standpunten mondeling toe te lichten en dat zij hiervan gebruik hebben gemaakt. Dit bezwaar mist derhalve feitelijke grondslag.

   Voor zover appellanten stellen ten onrechte geen verslag van de hoorzitting te hebben ontvangen, overweegt de Afdeling dat de WRO niet voorschrijft dat een verslag van de hoorzitting aan de indieners van de bedenkingen dient te worden gezonden. Ook op grond van de zorgvuldigheid die vereist is bij het voorbereiden van een besluit, kan deze voorwaarde niet worden gesteld. Het verslag heeft immers vooral als functie het gehele college van gedeputeerde staten informatie te verschaffen over hetgeen tijdens de hoorzitting naar voren is gebracht. Overigens is niet aannemelijk geworden dat appellanten door het niet toezenden van het verslag in hun belangen zijn geschaad. Dit bezwaar treft derhalve geen doel.

Inhoudelijke bezwaren

2.4.    Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij voeren daartoe aan dat in het plan ten onrechte geen regeling is opgenomen voor de ter plaatse aanwezige ecologische verbindingszone. Voorts is het plangebied ten onrechte niet aangemerkt als waterbergingsgebied, aldus appellanten. Tevens stellen zij dat de verplaatsbaarheid van diersoorten wordt belemmerd door de aanwezige hekken en dat er niet voldoende uitwijkmogelijkheden voor dieren zijn in geval van hoog water. Appellanten voeren daarnaast aan dat de door hen aangegane verplichtingen voor de ruilverkaveling "Schaft" gerespecteerd dienen te worden en dat rekening had moeten worden gehouden met de gegrond verklaarde bezwaren tegen het bestemmingsplan "Buitengebied".

Standpunt van verweerder

2.5.    Verweerder acht het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht en heeft dit goedgekeurd. Hierbij heeft hij overwogen dat de ecologische verbindingszone zich ten zuiden van het plangebied bevindt. Uit de doeleindenomschrijving blijkt dat de gronden in het plangebied ook voor waterberging bestemd zijn.

Tevens stelt hij dat enkel aan de oostzijde van het plangebied nog hekwerken aanwezig zijn en dat alle overige belemmeringen zijn verwijderd. Het feit dat geen specifieke uitwijkingsmogelijkheden voor dieren zijn aangewezen laat onverlet dat de dieren voldoende mogelijkheden hebben om bij hoog water uit te wijken naar hoger gelegen delen van het plangebied, aldus verweerder.

Vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.1.    De gronden in het plangebied zijn bestemd als "Groene Hoofdstructuur, natuurgebied".

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de gronden die zijn aangewezen als "Groene Hoofdstructuur, natuurgebied" bestemd voor de volgende doeleinden:

a. natuurbehoud, bosbouw, agrarische bodemexploitatie;

b. behoud, herstel en ontwikkeling van:

   - abiotische waarden;

   - natuurlijke waarden;

   - landschappelijke waarden;

c. waterhuishoudkundige doeleinden, ten behoeve van de onder a. genoemde gebruiksfuncties en afgestemd op de onder b. genoemde waarden;

d. extensief dagrecreatief medegebruik, voor zover dit past binnen voornoemde doeleinden.

   Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de planvoorschriften, mag op de tot "Groene Hoofdstructuur, natuurgebied" bestemde gronden niet worden gebouwd.

2.6.2.    Het gebied "Schaft" ligt ten zuiden van het plangebied.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    Vast staat dat het plangebied niet in het gebied "Schaft" ligt, waar in het verleden een ruilverkaveling heeft plaatsgevonden. Hetgeen appellanten hebben aangevoerd geeft geen aanknopingspunten voor hun veronderstelling dat het voorliggende plan de door hen aangegane verplichtingen in het kader van de ruilverkaveling raakt. In het bijzonder is ter zitting naar voren gekomen dat de bij de ruilverkaveling aangebrachte regelbare duiker niet binnen het plangebied ligt en dat deze duiker in beheer is bij het waterschap De Dommel. De onderhavige planherziening houdt geen verband met het beheer van de duiker en de aanwezige waterlopen.

   Ten aanzien van de bezwaren van appellanten dat in het plan ten onrechte geen afzonderlijke regeling voor de ecologische verbindingszone en voor de waterberging is opgenomen, overweegt de Afdeling als volgt.

De ecologische verbindingszone is voorzien ten zuiden van het plangebied. Ter zitting is verklaard en niet weersproken dat enkel daar waar het plangebied direct aan de Maastrichterweg ligt, de hekken zijn blijven staan. Tevens is verklaard en niet weersproken dat het een licht glooiend landschap betreft en dat hekwerk in een rechte lijn is geplaatst zodat er openingen blijven bestaan waardoor dieren het hek kunnen passeren. Ter hoogte van de ecologische verbindingszone grenst het plangebied niet aan de Maastrichterweg en is in het plangebied geen hekwerk meer aanwezig.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de verplaatsbaarheid van diersoorten voldoende is gegarandeerd. Mogelijke andere belemmeringen die zich buiten het plangebied bevinden, kunnen in het kader van de beoordeling van de goedkeuring van dit plan niet aan de orde komen.

   Voorts heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de toegekende bestemming voldoende bescherming biedt aan de aanwezige ecologische waarden. Hiertoe is het niet noodzakelijk dat alle waarden specifiek worden bestemd. Voorts staat deze bestemming niet in de weg aan het gebruik van de gronden als waterbergingsgebied. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen instemmen met het standpunt van het gemeentebestuur dat een afzonderlijke aanduiding als waterbergingsgebied niet nodig is, evenmin als het aanwijzen van uitwijkmogelijkheden voor diersoorten bij overstromingen.

   Voor zover appellanten stellen dat in het plan ten onrechte geen gevolg is gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2002, zaaknummer 200001416/1, overweegt de Afdeling dat in die uitspraak de bezwaren van appellanten ten aanzien van de planregeling voor het gebied 'Het Schut' gegrond zijn verklaard. Nu die bezwaren specifiek op dat gebied betrekking hadden en het voorliggende plan niet op dat gebied betrekking heeft, stelt verweerder terecht dat het gemeentebestuur in dit plan geen gevolg behoefde te geven aan de genoemde uitspraak van de Afdeling.

2.8.    Hetgeen appellanten hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Evenmin bestaat daarin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn daarom ongegrond.

Proceskosten

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven     w.g. Rop

Lid van de enkelvoudige kamer     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2007

417-545.