Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB0410

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
25-07-2007
Zaaknummer
200700720/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 november 2005 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) appellante een bestuurlijke boete van € 8.000 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 314 met annotatie van O.J.D.M.L. Jansen

Uitspraak

200700720/1.

Datum uitspraak: 25 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06-5920 van de rechtbank Haarlem van 11 december 2006 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2005 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) appellante een bestuurlijke boete van € 8.000 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) opgelegd.

Bij besluit van 22 mei 2006 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 11 december 2006, verzonden op 13 december 2006, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 januari 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 24 januari 2007, ingekomen op 25 januari 2007, en 22 februari 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 april 2007 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2007, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. J.J.A. Huisman, werkzaam bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, is verschenen. Appellante is met bericht van verhindering niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2˚, van de Wav wordt als werkgever aangemerkt de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten.

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder  tewerkstellingsvergunning.

   Ingevolge artikel 18, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.

   Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister  aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.    

   Ingevolge artikel 19d, eerste lid, voor zover thans van belang, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een natuurlijk persoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 11.250.

   Ingevolge artikel 19d, derde lid, stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

   Volgens beleidsregel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav, zoals die ten tijde van belang luidden (hierna: de beleidsregels), wordt bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

   Volgens beleidsregel 2 wordt voor de werkgever als natuurlijk persoon bij een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid, als uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen boete 0,5 maal het boetenormbedrag gehanteerd.

   Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000 gesteld.

2.2.    De gronden in hoger beroep richten zich niet tegen hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 2.7 van de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Aldus is niet in geding dat appellante is aan te merken als werkgever in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2˚, van de Wav en dat zij, door twee personen met de Poolse nationaliteit in haar woning verbouwings- en schilderwerkzaamheden te laten verrichten zonder dat ten behoeve van hen een tewerkstellingsvergunning was verleend, artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft overtreden, zodat de staatssecretaris bevoegd was een boete op te leggen.

2.3.    Appellante klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de staatssecretaris van boeteoplegging had dienen af te zien dan wel het boetebedrag had dienen te matigen. Daartoe voert zij aan dat - samengevat weergegeven - zij zich van geen kwaad bewust is geweest en volledig te goeder trouw hulp heeft aanvaard van Poolse vrienden die graag iets terug wilden doen voor de jarenlange steun die zij van haar familie hebben ontvangen. Onder die omstandigheden had de staatssecretaris haar de overtreding niet mogen toerekenen en van boeteoplegging dienen af te zien dan wel, voor zover niettemin zou worden geoordeeld dat niet elke vorm van verwijtbaarheid aan haar zijde ontbreekt, de hoogte van de opgelegde boete dienen te matigen, aldus appellante. Daarnaast betoogt appellante dat, nu door haar handelwijze de doelstellingen van de Wav niet in gevaar zijn gekomen, de gevolgen van de boeteoplegging onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, zodat de staatssecretaris ook om die reden de hoogte van het boetebedrag had dienen te matigen.

2.3.1.    In de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2007 in zaak no. 200700456/1 is overwogen dat in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging wordt afgezien. Daartoe dient de werkgever aannemelijk te  maken dat hij de maximale van hem te vergen zorg heeft betracht ter voorkoming van de overtreding.

   In die uitspraak heeft de Afdeling tevens overwogen dat een zeer beperkte mate van verwijtbaarheid aanleiding kan geven de boete te matigen.

   Voorts is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juli 2007 in zaak no. 200607461/1; www.raadvanstate.nl), bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter.

2.3.2.    De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de overtreding appellante kan worden verweten, nu zij heeft nagelaten te onderzoeken of in haar situatie een tewerkstellingsvergunning was vereist. Hierbij is het betoog van de minister ter zitting mede in aanmerking genomen dat, gelet op de in 2004 gehouden voorlichtingscampagne over de totstandkoming van de bestuurlijke boete in de Wav en de berichtgeving in de media over het vereiste van een tewerkstellingsvergunning voor werknemers uit Midden- en Oost-Europa, appellante ervan op de hoogte had kunnen zijn dat ten tijde hier van belang personen met de Poolse nationaliteit niet zonder meer in Nederland werkzaam mochten zijn. Van een situatie van het volledig ontbreken dan wel een zeer beperkte mate van verwijtbaarheid is dan ook geen sprake.

   Voorts noopte de enkele stelling van appellante dat, indien haar Poolse vrienden haar niet hadden geholpen, zij de desbetreffende werkzaamheden geheel zelf zou hebben verricht, zodat geen sprake is van verstoorde concurrentieverhoudingen en verdringing van legaal arbeidsaanbod, niet tot matiging van de boete.

   De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de boete ten onrechte is opgelegd dan wel diende te worden gematigd.

   Het betoog faalt.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk     w.g. Prins

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2007

363