Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB0406

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
25-07-2007
Zaaknummer
200608758/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) appellante onder oplegging van een dwangsom gelast de verkoop van auto's aan bedrijven dan wel particulieren op het perceel [locatie] te Zaandam (hierna: het perceel) te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200608758/1.

Datum uitspraak: 25 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], waarvan de vennoten zijn [vennoten] gevestigd en kantoorhoudende te Zaandam, gemeente Zaanstad,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 05/5033 en 05/5035 van de rechtbank Haarlem van 9 november 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) appellante onder oplegging van een dwangsom gelast de verkoop van auto's aan bedrijven dan wel particulieren op het perceel [locatie] te Zaandam (hierna: het perceel) te beëindigen.

Bij besluit van 22 februari 2005 heeft het college afwijzend beslist op het verzoek van appellante om een tijdelijke vrijstelling te verlenen ten behoeve van de autohandel op het perceel.

Bij besluiten van 11 augustus 2005 heeft het college de tegen beide besluiten door appellante gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 november 2006, verzonden op 13 november 2006, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 4 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 26 maart 2007 heeft het college van antwoord gediend.

[derdebelanghebbende] is in de gelegenheid gesteld als partij deel te nemen aan het geding.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. G.F.H. Velthuizen, advocaat te Zaandam, en het college, vertegenwoordigd door mr. P. de Vries, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Derdebelanghebbende is niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen.

   Ingevolge artikel 19, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro) wordt vrijstelling, als bedoeld in artikel17 van de wet slechts verleend, indien aannemelijk is dat het beoogde bouwwerk, werk geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid, dan wel gebruik, niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven, onderscheidenlijk voortduren.

2.2.    Niet in geschil is en de Afdeling gaat er ook van uit dat het gebruik van het perceel ten behoeve van de autohandel in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Westerspoor-Zuid" op grond waarvan op het perceel de bestemming "Bedrijven (B4)" rust. Het college was derhalve bevoegd handhavend op te treden.

2.3.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    Appellante betoogt dat er concreet zicht op legalisatie is omdat het college het verzoek om verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO niet heeft kunnen weigeren. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 31 augustus 2005 in zaak no. 200503326/1 blijkt uit de tekst van artikel 17 van de WRO en de toelichting daarop dat de hier gegeven vrijstellingsmogelijkheid, waardoor zonder tussenkomst van gedeputeerde staten kan worden afgeweken van een vigerend bestemmingsplan, slechts kan worden gebruikt in gevallen waarin het gaat om een als tijdelijk beoogde afwijking van het bestemmingsplan. Ten einde overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 van het Bro te kunnen aannemen dat het beoogde gebruik niet langer dan vijf jaren zal voortduren, dienen er concrete, objectieve gegevens voorhanden te zijn die daarvoor aanknopingspunten bieden. Bij het ontbreken daarvan is toepassing van artikel 17 van de WRO niet mogelijk.

   Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat appellante geen gegevens naar voren heeft gebracht die de conclusie rechtvaardigen dat de autohandel niet langer dan vijf jaar ter plaatse in stand zal blijven. De omstandigheden dat ten tijde van het bestreden besluit werd omgekeken naar andere bedrijfsruimte en appellante beschikte over een tijdelijk huurcontract, zijn daartoe onvoldoende.

   Gelet op het voorgaande, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten de vrijstelling in de zin van artikel 17, eerste lid, van de WRO te weigeren.    

   Er bestond dan ook geen concreet zicht op legalisatie.

   Het betoog van appellante faalt derhalve.

2.5.    Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan evenmin slagen nu ter zitting door het college voldoende aannemelijk is gemaakt dat ten aanzien van de overige, buiten de zes toegestane, gevestigde verkooppunten voor auto's, motorfietsen en caravans inmiddels handhavingsprocedures in gang zijn gezet.

2.6.    De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat van het college kon worden verlangd van handhavend optreden af te zien.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers    w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2007

328-552.