Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB0404

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
25-07-2007
Zaaknummer
200607956/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 mei 2004 (hierna: het primaire besluit) heeft het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het uitbreiden van een bijgebouw op het perceel [locatie] te Hardenberg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200607956/1.

Datum uitspraak: 25 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Hardenberg,

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 05/2242 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 16 oktober 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2004 (hierna: het primaire besluit) heeft het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het uitbreiden van een bijgebouw op het perceel [locatie] te Hardenberg.

Bij besluit van 15 februari 2005 (hierna: de eerste beslissing op bezwaar) heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard en het besluit onder gedeeltelijke aanpassing gehandhaafd.

Bij uitspraak van 18 augustus 2005, verzonden op 25 augustus 2005, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, de eerste beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak.

Bij besluit van 7 februari 2006 (hierna: de tweede beslissing op bezwaar) heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw op het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit beslist en dit bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard en het besluit onder gedeeltelijke aanpassing gehandhaafd.

Bij uitspraak van 16 oktober 2006, verzonden op 18 oktober 2006, heeft de rechtbank het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard en de tweede beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 31 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 1 november 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Vergunninghouder is in de gelegenheid gesteld aan het geding deel te nemen en heeft bij brief van 28 december 2006 een reactie ingediend.

Bij besluit van 9 januari 2007 (hierna: de derde beslissing op bezwaar) heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw op het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit beslist en dit bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard en onder gedeeltelijke aanpassing gehandhaafd. Dit besluit is aangehecht.

Bij brief van 24 januari 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 20 februari 2007 heeft appellante een reactie ingediend.

Bij brief van 25 maart 2007 heeft vergunninghouder een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2007, waar appellante, in persoon en bijgestaan door mr. D. Pool, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door R.G. Kleine-Zuidema, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.     Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet tot het oordeel is gekomen dat het college bouwvergunning had moeten weigeren. Zij voert hiertoe aan dat het college bij het nemen van het bestreden besluit rekening had dienen te houden met het negatieve welstandsadvies van de welstandscommissie "Het Oversticht" (hierna: de welstandscommissie) van 7 oktober 2004.

2.1.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 23 januari 2002 in zaak no. 200005648/1 (AB 2002, 190) is in het stelsel van de Woningwet geen plaats voor een beslissing omtrent de bouwvergunning anders dan op grond van een daartoe strekkende aanvraag.

   De welstandscommissie heeft bij advies van 24 januari 2004 geoordeeld dat het bouwplan, zoals neergelegd in de bouwaanvraag, voldeed aan de redelijke eisen van welstand. Het college heeft in navolging hiervan dan ook terecht geoordeeld dat zich in zoverre geen weigeringsgrond voor de bouwvergunning voordeed. Dat in afwijking van die aanvraag is gebouwd, doet daar niet aan af en kan in het kader van deze procedure niet aan de orde komen. Dit geldt eveneens voor het negatieve welstandsadvies van 7 oktober 2004 betreffende het gerealiseerde bouwplan.

   De rechtbank is terecht en op goede gronden tot ditzelfde oordeel gekomen.

2.1.2.    Appellante heeft in dit verband nog verwezen naar de uitspraak van de voormalige Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 10 mei 1982 (AB 1982, 531). De Afdeling kan appellante daarin niet volgen. In die uitspraak besliste de Afdeling dat bij de beslissing op bezwaar rekening moet worden gehouden met de situatie ten tijde van die beslissing. Dit zag op de toetsing aan het recht op dat tijdstip. Uit deze uitspraak kan niet worden afgeleid dat in bezwaar niet moet worden beslist op de aanvraag zoals die in is gediend. Uit deze uitspraak kan evenmin worden afgeleid dat in bezwaar moet worden uitgegaan van de bouw zoals deze is gerealiseerd.

2.2.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.    

2.3.    Op 12 oktober 2005 heeft vergunninghouder een gewijzigde bouwtekening van 5 oktober 2005 ingediend waarop het beoogde gebruik van het bouwplan als bergruimte is gewijzigd in slaap- en speelruimte. Bij beslissing op bezwaar van 9 januari 2007 is de bouwvergunning met inachtneming van deze wijziging gehandhaafd.

   Aangezien bij dit nieuwe besluit niet aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van appellante, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.

2.4.    Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Heemse" rust op het perceel de bestemming "Woongebied".

   Ingevolge artikel 3, derde lid, onder c en 2, van de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften (hierna: de planvoorschriften) worden bijgebouwen minimaal 3 m, dan wel minimaal de afstand van het bestaande bijgebouw indien deze minder is, achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw gebouwd.

   Ingevolge artikel 3, vijfde lid en onder c, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen, het bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid, vrijstelling verlenen van het bepaalde in het derde lid, onder c en 2.

2.5.    Vast staat dat het bouwplan niet in overeenstemming is met artikel 3, derde lid, onder c en 2, van de planvoorschriften. Om realisering van het bouwplan mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 3, vijfde lid en onder c, van de planvoorschriften vrijstelling verleend.

2.6.    Appellante betoogt dat het college ten onrechte de gewijzigde bouwtekening van 5 oktober 2005 aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Volgens haar had het college op grondslag van de oude aanvraag om bouwvergunning dienen te beslissen.

2.6.1.    In de uitspraak van 25 januari 2006 in zaak no. 200501746/1 heeft de Afdeling overwogen dat voor een wijziging van ondergeschikte aard van een bouwplan geen nieuwe bouwaanvraag vereist is. Daarvan is in dit geval sprake nu de wijziging op de bouwtekening alleen de verandering van het beoogde gebruik van de ruimte betreft. Het college heeft dan ook op die gewijzigde aanvraag mogen beslissen.

   Het betoog van appellante faalt.

2.7.    Voorts betoogt appellante dat het college ten onrechte de nieuwe aanvraag wel heeft getoetst aan het thans geldende bestemmingsplan "Heemse", de Bouwverordening en het Bouwbesluit, en niet het welstandsoordeel van de welstandscommissie van 7 oktober 2004.

2.7.1.    Dit betoog faalt. Uitgangspunt bij het nemen van een beslissing op bezwaar is dat het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2002 in zaak no. 200005090/1, BR 2002, p. 420 en de reeds genoemde uitspraak van 10 mei 1982). Het college heeft dan ook terecht de gewijzigde aanvraag getoetst aan het bestemmingsplan "Heemse", de Bouwverordening en het Bouwbesluit. Het welstandsoordeel van de welstandscommissie van 7 oktober 2004 ziet niet op de gewijzigde bouwaanvraag maar op het bouwplan zoals dat daadwerkelijk is gerealiseerd.

    Dat in afwijking van de oorspronkelijke bouwaanvraag is gebouwd, is, zoals reeds is overwogen in 2.1.1, in het kader van de voorliggende procedure niet van belang, zodat het college terecht het welstandsoordeel van 7 oktober 2004 buiten beschouwing heeft gelaten.    

2.8.    Appellante betoogt tenslotte dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen voor het bouwplan met toepassing van artikel 3, vijfde lid en onder c, van de planvoorschriften.

2.8.1.    Dit betoog faalt. Uit de formulering van artikel 3, vijfde lid en onder c, van de planvoorschriften volgt dat het college bevoegd is vrijstelling te verlenen indien door het bouwplan waarvoor vrijstelling wordt verzocht geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen, het bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid plaatsvindt. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat daarvan geen sprake is, hetgeen door appellante niet is bestreden. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen.

2.9.     Het beroep van appellante tegen het besluit van 9 januari 2007 is ongegrond.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.11.    Voor een schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is, gelet op het vorenoverwogene, geen plaats.

I.    3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

ll.    verklaart het beroep tegen het besluit van 9 januari 2007 ongegrond;

IIl.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers    w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2007

328-552.