Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB0403

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
25-07-2007
Zaaknummer
200605443/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2003 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum (hierna: het dagelijks bestuur) aan Synagoge Nidchei Israel Jechanes vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van de begane grond van de synagoge op het perceel Nieuwe Kerkstraat 149 (het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605443/1.

Datum uitspraak: 25 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Synagoge Nidchei Israel Jechanes, te Amsterdam,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04 / 2426 van de rechtbank Amsterdam van 19 juni 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2003 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum (hierna: het dagelijks bestuur) aan Synagoge Nidchei Israel Jechanes vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van de begane grond van de synagoge op het perceel Nieuwe Kerkstraat 149 (het perceel).

Bij besluit van 27 april 2004 heeft het dagelijks bestuur het door de Stichting Evangelisch-Luthers Diaconie Oude mannen- en vrouwenhuis, de Stichting Tabitha en [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de bouwvergunning geweigerd.

Bij uitspraak van 19 juni 2006, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 25 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 15 september 2006 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2007, waar appellant vertegenwoordigd door M. Aronson, bijgestaan door mr. M.A. Grapperhaus, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur vertegenwoordigd door mr. G.A. van den Burg, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant betoogt dat de rechtbank het beroep van synagoge Nidchei Israel Jechanes NIJ (hierna: NIJ) ten onrechte, wegens het ontbreken van rechtspersoonlijkheid, niet-ontvankelijk heeft verklaard. Appellant stelt daartoe dat het kerkgenootschap NIJ op grond van het bepaalde in artikel 2:2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) rechtspersoonlijkheid bezit en als gebruiker van de synagoge de bouwvergunning heeft aangevraagd.

2.2.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

   Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

   Ingevolge artikel 2:2, eerste lid, van het BW bezitten kerkgenootschappen, alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, rechtspersoonlijkheid.

2.3.    Het betoog slaagt. De Afdeling acht, anders dan de rechtbank, het bestaan van het kerkgenootschap NIJ voldoende aannemelijk. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is NIJ als organisatie actief, houdt het een gebedshuis in stand, houdt het in de synagoge Joodse erediensten en vieringen van Joodse feestdagen en organiseert het Joodse studielessen in de synagoge. Voorts is voldoende aannemelijk dat NIJ deelneemt aan het rechtsverkeer.    

         Nu NIJ de bouwvergunning heeft aangevraagd als gebruiker van de synagoge, is NIJ belanghebbende bij de beslissing op bezwaar waarbij de bouwvergunning alsnog is geweigerd. NIJ kon daartegen beroep instellen bij de rechtbank. De rechtbank is ten onrechte tot de conclusie gekomen dat dit niet kon.

2.4.    Overigens is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 13 mei 1996 in zaak nr. H01.95.0199, AB 1996, 312, de hoedanigheid van belanghebbende in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb niet voorbehouden aan natuurlijke of rechtspersonen. Zulk een beperking volgt niet uit de bewoordingen van deze wetsbepaling en is blijkens de geschiedenis van haar tot standkoming ook niet beoogd. Uit de Memorie van toelichting (PG Awb I, p.149), valt af te leiden dat de wetgever voor ogen heeft gestaan dat meer "entiteiten" belanghebbende kunnen zijn dan alleen natuurlijke en rechtspersonen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat slechts beroep kan worden ingesteld door een natuurlijke persoon of door een rechtspersoon.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.6.    De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen. Dit laat overigens onverlet dat de rechtbank ook omtrent de vergoeding van de proceskosten in beroep dient te beslissen.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 juni 2006 in zaak no. AWB 04 / 2426;

III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.    stelt de bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten vast op € 663,33 (zegge: zeshonderddrieënzestig euro en drieëndertig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten;

V.    gelast dat de gemeente Amsterdam aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 422,00 (zegge: vierhonderdtweeëntwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Klein Nulent

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2007

218-544.