Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB0394

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
25-07-2007
Zaaknummer
200608435/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 13 juni 2002 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) appellanten medegedeeld dat niet wordt overgegaan tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen aan hun woningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608435/1.

Datum uitspraak: 25 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de eigenaren van de appartementen Flakkeestraat 1 t/m 79 oneven, met uitzondering van de nummers [nummers], te Amstelveen,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1343 van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat.

1.    Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 13 juni 2002 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) appellanten medegedeeld dat niet wordt overgegaan tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen aan hun woningen.

Bij besluit van 20 december 2002 heeft de Minister het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 december 2004 heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaar van appellanten ongegrond is verklaard, vernietigd.

Bij besluit van 27 januari 2005 heeft de Minister, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw beslist op het door appellanten gemaakte bezwaar en dat bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 oktober 2006, verzonden op 12 oktober 2006, heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 februari 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 7 maart 2007 heeft de Minister van antwoord gediend.

Bij brief van 6 juni 2007 hebben appellanten nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2007, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. A.A. Boot en mr. J. van de Riet, beiden advocaat te Amsterdam, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. E.S. Grimminck, advocaat te Alkmaar, zijn verschenen. Voorts is namens de Vereniging van Eigenaren haar [voorzitter] verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 26b van de Luchtvaartwet, voor zover hier van belang, stelt de Minister in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: VROM) een regeling vast inzake geluidwerende voorzieningen ten aanzien van aanwezige woningen, welke niet behoeven te worden afgebroken, of waarvan bewoning niet behoeft te worden beëindigd.

   Bij besluit van 6 februari 1997 hebben de Minster en de Staatssecretaris van Defensie, handelend in overeenstemming met de Minister van VROM, gelet op artikel 26 b van de Luchtvaartwet, de Regeling geluidwerende voorzieningen 1997 (Stcrt. 1997, 47; hierna: de Rgv 1997) vastgesteld.

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2, van de Rgv 1997 worden, tenzij in de regeling anders is bepaald, op 's rijks kosten geluidwerende voorzieningen aangebracht aan geluidsgevoelige ruimten van een woning die volgens de in artikel 25d van de Luchtvaartwet bedoelde geluidscontouren een hogere geluidsbelasting dan 40 Ke ondervindt.

   Ingevolge artikel 12, tweede lid, zoals deze bepaling luidde ten tijde en voor zover hier van belang, ontvangen de eigenaren van de woningen die op basis van het in artikel 11, vierde lid, bedoelde akoestisch en bouwtechnisch onderzoek voor het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen in aanmerking komen, een aanbod met betrekking tot de aan te brengen geluidwerende voorzieningen.

   Ingevolge artikel 12, zevende lid, aanhef, zoals deze bepaling luidde ten tijde en voor zover hier van belang, wordt aan de in het tweede lid bedoelde eigenaren verzocht binnen drie weken na ontvangst van het aanbod door middel van ondertekening schriftelijk te verklaren dat:

a.    zij voor alle geluidsgevoelige ruimten waar het aanbod betrekking op heeft, instemmen met de voorgestelde geluidwerende voorzieningen en toestemming geven tot het aanbrengen van de voorgestelde geluidwerende voorzieningen;

b.    zij zich verbinden tot het uitvoeren van de in het eerste lid, onder a tot en met d, bedoelde werkzaamheden.

   Ingevolge artikel 12, achtste lid, zoals deze bepaling luidde ten tijde en voor zover hier van belang, wordt, in geval de in het zevende lid bedoelde ondertekening van het aanbod niet binnen de gestelde termijn heeft plaatsgevonden, de betreffende eigenaren schriftelijk medegedeeld dat geen geluidwerende voorzieningen worden aangebracht, tenzij deze ondertekening binnen tien dagen na ontvangst van deze mededeling alsnog plaatsvindt.

   Ingevolge artikel 12, negende lid, zoals deze bepaling luidde ten tijde en voor zover hier van belang, wordt, in geval de in het achtste lid bedoelde ondertekening van het aanbod niet binnen de in het achtste lid gestelde termijn heeft plaatsgevonden, de betreffende eigenaren schriftelijk medegedeeld dat niet tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen wordt overgegaan.

2.2.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Minister terecht heeft besloten niet tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen aan hun woningen over te gaan. Daartoe voeren zij - samengevat - aan dat de rechtbank heeft miskend dat zij er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen een ander aanbod met betrekking tot de aan te brengen geluidwerende voorzieningen van de Minister dan het aanbod van 18 januari 2002 te zullen ontvangen.

2.2.1.    De Afdeling stelt voorop dat het aanbod van de Minister van 18 januari 2002 een aanbod als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Rgv 1997 betreft. Op de ondertekening van dit aanbod zijn de bepalingen van het zevende, achtste en negende lid, van de Rgv 1997 van toepassing. Anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, is de op artikel 12, negende lid, van de Rgv 1997 gebaseerde mededeling van de Minister dat niet tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen wordt overgegaan, geen discretionaire, maar een gebonden bevoegdheid, die de Minister geen ruimte laat voor een belangenafweging. Gelet daarop is in dit geding enkel de tijdige ondertekening van het aanbod van 18 januari 2002 aan de orde. In de door appellanten aangevoerde omstandigheden is geen grond gelegen voor het oordeel dat zij niet hoefden te reageren op dit aanbod. Nu voorts vast staat dat appellanten niet binnen de, door de Minister zelfs onverplicht verlengde, termijnen op het aanbod van 18 januari 2002 hebben gereageerd en dit aanbod ook niet hebben ondertekend, heeft de Minister bij de beslissing op bezwaar van 27 januari 2005 terecht zijn besluit van 13 juni 2002 gehandhaafd. De rechtbank is, zij het deels op andere gronden, tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.2.2.    De Afdeling gaat in dit verband voorts voorbij aan de eerst ter zitting door appellanten aangevoerde onredelijkheid van de Rgv 1997, reeds omdat, wat daarvan ook zij, niet valt in te zien dat appellanten dit niet eerder in de procedure hebben kunnen aanvoeren.

2.3.    Verder betogen appellanten dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Minister niet gehouden was hen ingevolge artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht voorafgaand aan de nieuwe beslissing op bezwaar van 27 januari 2005 te horen. Daartoe voeren zij aan dat de in beroep overgelegde verklaringen en rapporten nieuwe feiten en omstandigheden bevatten die van aanmerkelijk belang waren voor het nemen van de nieuwe beslissing op bezwaar.

2.3.1.    Ook dit betoog faalt. De door appellanten overgelegde verklaringen en rapporten tonen volgens hen aan dat het aanbod van de Minister van 18 januari 2002 niet redelijk was. Aangezien echter, zoals is overwogen onder 2.2.1, in dit geding enkel de tijdige ondertekening en niet de redelijkheid van dit aanbod aan de orde is, heeft de rechtbank reeds hierom terecht geoordeeld dat de verklaringen en rapporten geen feiten of omstandigheden inhouden die tot een nieuwe hoorzitting noopten.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, onder verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd. Het op artikel 8:73, eerste lid, van de Awb gebaseerde verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Bindels

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2007

85-496.