Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB0388

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
25-07-2007
Zaaknummer
200607249/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALM:2005:AU4505, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij faxberichten van 26 mei 2004, 21 juni 2004 en 7 juli 2004 heeft appellant verzoeken om informatie ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200607249/1.

Datum uitspraak: 25 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/985 van de rechtbank Almelo van 21 augustus 2006 in het geding tussen:

appellant

en

Belastingdienst Randmeren (lees: de Staatssecretaris van Financiën).

1.    Procesverloop

Bij faxberichten van 26 mei 2004, 21 juni 2004 en 7 juli 2004 heeft appellant verzoeken om informatie ingediend.

Bij brief van 9 augustus 2004 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn verzoeken.

Bij brief van 6 oktober 2004 heeft appellant beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn verzoeken.

Bij uitspraak van 21 augustus 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) zich onbevoegd verklaard van het ingestelde beroep kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij faxbericht van 1 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij faxberichten van 17 en 26 oktober 2006. Deze faxberichten zijn aangehecht.

Bij brief van 5 maart 2007 heeft de Belastingdienst Randmeren (hierna: de belastingdienst) van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2007, waar de belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. J.J.H. de Die, werkzaam bij de belastingdienst, is verschenen. Appellant is zonder bericht van verhindering niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter zitting heeft de belastingdienst erkend op te treden namens de Staatssecretaris van Financiën. De rechtbank heeft abusievelijk de belastingdienst als partij aangemerkt.

2.2.    Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr) kan tegen een uitspraak van de inspecteur beroep worden ingesteld bij het gerechtshof.

   Ingevolge artikel 67, eerste lid, van de Awr is het een ieder verboden hetgeen hem in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet, of in verband daarmede, nopens de persoon of zaken van een ander blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de heffing of de invordering van enige rijksbelasting.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan onze minister ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie, neergelegd in documenten, over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

   Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

   Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

2.3.    Appellant heeft primair aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij onbevoegd is omdat, nu appellant informatie heeft gevraagd in het kader van een procedure om te komen tot vaststelling van een aanslag vermogensbelasting, gelet op artikel 26 van de Awr, beroep had moeten worden ingesteld bij het gerechtshof.

2.4.    De verzoeken van appellant betreffen informatie over de correspondentie tussen de belastingdienst en de Belastingdienst Oost over het taxatieverzoek met betrekking tot eigendommen van appellant, het organisatieschema van de belastingdienst dan wel de afdeling waardeonderzoek en de door de taxateurs verkregen titulatuur en genoten opleidingen. Anders dan de rechtbank acht de Afdeling de enkele omstandigheid dat appellant in een van zijn verzoeken en - desgevraagd - ter zitting bij de rechtbank heeft medegedeeld deze informatie nodig te hebben voor de onderbouwing van zijn standpunten in het kader van (een procedure) over een aanslag vermogensbelasting ontoereikend om aan die verzoeken het karakter van op zichzelf staande verzoeken te ontnemen en te worden aangemerkt als verzoeken uitsluitend gedaan in het kader van die procedure.

   Of de verzoeken zijn gedaan op grond van artikel 67 van de Awr of artikel 3 van de Wob kan thans in het midden worden gelaten nu beslissend is dat ten aanzien van de beroepen tegen op grond van die artikelen genomen besluiten, bij het ontbreken van een aanwijzing voor een specifieke rechterlijke instantie, de rechtbank ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb bevoegd is. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb moet het niet tijdig beslissen gelijk worden gesteld met een besluit.

   Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat zij onbevoegd is.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

   Gelet op het bovenstaande behoeven de overige gronden geen verdere bespreking.

2.6.    Van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Almelo van 21 augustus 2006 in zaak no. AWB 04/985;

III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.    gelast dat het ministerie van Financiën aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 211,00 (zegge: tweehonderdelf euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Van Tuyll van Serooskerken

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2007

290