Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB0380

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
25-07-2007
Zaaknummer
200608477/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 maart 2005 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd [verzoeker] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608477/1.

Datum uitspraak: 25 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/3499 van de rechtbank Haarlem

van 10 oktober 2006 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2005 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd [verzoeker] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij brief van 12 mei 2005 heeft [verzoeker] tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 26 januari 2006 heeft de raad van de gemeente Beverwijk (hierna: de gemeenteraad) geweigerd [verzoeker] vrijstelling te verlenen voor de bouw van een woning op het perceel.

Bij besluit van 7 februari 2006 heeft het college, onder verwijzing naar het besluit van de gemeenteraad van 26 januari 2006, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 maart 2005 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en opnieuw geweigerd [verzoeker] bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een woning op het perceel.

Bij uitspraak van 10 oktober 2006, verzonden op 16 oktober 2006, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [verzoeker] daartegen bij brief van 6 april 2006 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroepschrift naar het college doorgezonden ter behandeling als bezwaarschrift. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 23 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 december 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 9 februari 2007 heeft [verzoeker] van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2007, waar het college, vertegenwoordigd door P.A. Koese, werkzaam bij de gemeente, en [verzoeker], in persoon, bijgestaan door mr. A.J.P. Schram, advocaat te Haarlem, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het college komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het besluit van 7 februari 2006 niet als een beslissing op bezwaar maar als een primair besluit moet worden aangemerkt, waartegen, gezien het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), eerst bezwaar moet worden ingediend.

   Dit oordeel, dat door de rechtbank is gebaseerd op het feit dat het college bij besluit van 7 februari 2006 het primaire besluit van 3 maart 2005 heeft herroepen en aan het besluit van 7 februari 2006 ten opzichte van het besluit van 3 maart 2005 een geheel andere motivering aan de weigering bouwvergunning te verlenen ten grondslag heef gelegd, is onjuist, omdat het besluit van 7 februari 2006 op het bezwaar van [verzoeker] tegen het besluit van 3 maart 2005 is genomen. Het besluit van 7 februari 2006 is derhalve een beslissing op bezwaar waarvan de nieuwe weigering bouwvergunning te verlenen deel uitmaakt, zodat tegen dat besluit beroep bij de rechtbank kon worden ingesteld. De rechtbank heeft dat miskend.

2.2.    Nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen zal de Afdeling alsnog ingaan op het door [verzoeker] tegen het besluit van 7 februari 2006 ingestelde beroep.

2.3.    De rechtbank heeft het beroepschrift van [verzoeker] van 6 april 2006 ten onrechte niet tevens aangemerkt als een bezwaarschrift, nu daarin ook is opgekomen tegen het besluit van de gemeenteraad van 26 januari 2006, waarbij is geweigerd vrijstelling te verlenen. Het besluit van de gemeenteraad betrof immers geen beslissing op bezwaar maar een primair besluit, waartegen ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb eerst bezwaar dient te worden gemaakt. De rechtbank had het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15, tweede lid, van de Awb dan ook naar de gemeenteraad moeten doorzenden ter behandeling als bezwaarschrift voor zover in het beroepschrift tegen de weigering vrijstelling te verlenen wordt opgekomen.

   Aannemelijk is dat het feit dat in de brief van het college van 20 februari 2006, waarmee het besluit van de gemeenteraad van 26 januari 2006 aan [verzoeker] is toegezonden, uitsluitend is aangegeven dat tegen het besluit van het college van 7 februari 2006 beroep kan worden ingesteld en het feit dat in het besluit van de gemeenteraad een rechtsmiddelenclausule ontbreekt, ertoe hebben geleid dat [verzoeker] tegen het besluit van de gemeenteraad beroep bij de rechtbank heeft ingesteld in plaats van bezwaar bij de gemeenteraad te maken.

   Het hiervoor overwogene betekent dat het college eerst op het bezwaar van [verzoeker] tegen de weigering bouwvergunning te verlenen had mogen beslissen nadat de gemeenteraad een beslissing op het bezwaar van [verzoeker] tegen de geweigerde vrijstelling had genomen. Bij de beoordeling van het besluit tot weigering van de bouwvergunning was het college immers (mede) afhankelijk van het antwoord op de vraag of de gemeenteraad vrijstelling wilde verlenen. Het college heeft de beslissing op bezwaar

dan ook genomen in strijd met de vereiste zorgvuldigheid, als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb, en dat besluit kan derhalve niet in stand blijven. De rechtbank heeft dat miskend.

2.4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover het beroep niet-ontvankelijk is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [verzoeker] tegen het besluit van 7 februari 2006 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

2.5.    De Afdeling zal het beroepschrift van [verzoeker] voor zover gericht tegen het besluit van de gemeenteraad van 26 januari 2006 naar de gemeenteraad doorzenden ter behandeling als bezwaarschrift.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 10 oktober 2006 in zaak no. AWB 06/3499 voor zover het beroep niet-ontvankelijk is verklaard;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk van 7 februari 2006, kenmerk 200606010.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2007

202